'Ik moest terug naar mijn westerse roots'

Rokia Traoré groeide op met westerse muziek, maar verdiepte zich ook in de muzikale traditie van Mali. „Veel traditionele musici waren verbolgen.”

Ze is een energieke, vurige bandleider, zangeres en muzikante Rokia Traoré (35). Tijdens haar concert in de Music Hall in Beiroet zingt en speelt ze met haar hele lichaam. Strak als een snaar is ze, alle spieren gespannen, ze beweegt als een zweepslag. Haar stem is krachtig en veelzijdig: ze kan gevoileerd klinken, hees, buiten adem. Soms laat ze uit wijd opengesperde kaken een orkaan van geluid los, dan weer is haar klank zo diep en ingehouden dat het nauwelijks nog zingen lijkt, meer het vibreren van emotie in haar binnenste.

Op haar vierde album, Tchamantché, is Traoré een andere richting ingeslagen. Schreef ze voorheen jazzy composities voor traditionele Malinese instrumenten als n’goni, een soort Afrikaanse banjo, en balafon, nu zijn die vervangen door akoestische gitaar, bas en gretschgitaar. Traoré zingt grotendeels in het Bambara, haar moedertaal, maar ook in het Engels of Frans. Onderwerpen zijn immigratie en de Afrikaanse geschiedenis, en lichtere thema’s als de liefde, het leven, luieren. Tchamantché kent rockende, bluesy nummers, met een vleugje funk, afgewisseld met ernstige, soms onheilspellende, ingetogen ballads.

Dit ‘westerse’ album was een verrassende zet van Traoré, geheel in lijn met haar tegendraadse carrière. Ze was in 1992, toen 18, de eerste vrouw in Mali die op een podium haar eigen teksten zong terwijl ze zichzelf begeleidde op gitaar. Vrouwen zongen wel, binnen de Malinese muziektraditie, maar een vrouwelijke singer-songwriter en muzikant, dat was nieuw. Ze haalde er de Malinese nationale televisie mee.

Traoré brak met nog meer tradities; zo behoort ze niet tot de kaste van de griotten, de bevolkingsgroep die in Mali van oudsher de muzikanten voortbrengt, en koos toch voor een carrière in de muziek. Bij het vormgeven van die carrière, eerst in Europa – als diplomatendochter woonde ze een tijd in Brussel – was ze bovendien zo eigenwijs de balafon en de n’goni te combineren, ongekend binnen de Malinese muziektraditie, en met haar zelfgeschreven teksten af te wijken van de eeuwenoude Malinese liedteksten. In haar teksten hekelde ze ook bepaalde tradities in haar land, zoals polygamie. „Ik hoor bij geen enkele cultuur, dat is een voordeel. Het maakt eenzaam, maar ook vrij.”

Vanwaar die tegendraadsheid?

„Dat doe ik niet expres, het is vaak uit onwetendheid. Ik ben thuis met westerse muziek opgevoed – mijn vader was een fanatiek muziekverzamelaar en draaide veel Ella Fitzgerald, Louis Armstrong en Billie Holiday. Mijn broer luisterde naar blues en rock uit de sixties en seventies. In die tijd was ik nauwelijks met Malinese muziek bezig. Dat kwam pas weer toen ik studeerde in Brussel en ik van een afstand de Malinese cultuur bezag. Ik werd nieuwsgierig naar de traditie, de archaïsche instrumenten, die wilde ik me eigen maken. Maar ik had eigenlijk geen idee dat je niet geacht werd ze te combineren. Je kan ook lijden onder kennis – iemand met veel weet van de Malinese traditie had niet kunnen doen wat ik deed, die had de regels gerespecteerd. Ik kende de regels niet, dus kon ik ze overtreden.”

U stuitte op veel onbegrip.

„Er was kritiek, zeker. Veel traditionele musici waren verbolgen. Voor de muzikanten met wie ik speelde was het soms ook lastig. De n’goni- en balafonspeler waren niet gewend om samen te werken. En dan speelden ze bovendien de composities van een jonge, westers georiënteerde vrouw, van wie ze aanwijzingen moesten aannemen; de band wisselde in die tijd dus vaak van samenstelling.

„Het was pas toen ik succes kreeg in Europa dat er ook in Mali meer erkenning kwam voor wat ik deed, en dat mensen er aan mee wilden werken. Maar voor een groot deel van het Malinese publiek is mijn werk nog steeds een uitdaging. Ik realiseerde me onlangs pas dat ik weliswaar in het Bambara zing, maar dat mijn teksten voor de meesten toch moeilijk te begrijpen zijn.”

Hoezo?

„Omdat het mijn teksten zijn. De Bambara-teksten van traditionele Malinese muziek gaan altijd over hetzelfde, het zijn levenslessen, parabels, ze staan vast, als spreekwoorden en gezegden. Hoewel ik in dezelfde taal zing, is het verschil groot. Ik schrijf over persoonlijke dingen, over maatschappelijke thema’s, politiek. Ik gebruik de taal voor onderwerpen waarvoor hij normaal in de muziek niet gebruikt wordt. Veel Malinezen begrijpen mijn woorden dus niet; ze zijn niet gewend om op die manier naar teksten te luisteren.”

Is er een reden dat u de ene keer in het Bambara schrijft en de andere keer in het Frans, zoals bij de nummers Aimer en Zen?

„Die nummers beschrijven een levenshouding die in Mali niet bestaat, en waar het Bambara dus geen woorden voor heeft. Aimer gaat over liefde voelen voor het leven; je geluk van de daken schreeuwen. Dat is echt uitgesloten in Afrika. Je mag best gelukkig zijn, of trots, maar dat spreek je niet uit. Een Afrikaan zal, als hij een nieuw huis heeft, geen mensen uitnodigen om het te komen bewonderen, zoals in het Westen wel gebeurt. Afrikanen zijn altijd bescheiden, nederig.

„Het nummer Zen gaat over je relaxt voelen, ontspannen, contempleren. Ook dat is ongekend bij Afrikanen. Zij zullen niet begrijpen dat er schoonheid schuilt in nietsdoen. ‘Nietsdoen? Je moet werken!’ Meestal weet ik pas na het schrijven waarom het nummer in de ene taal is, en niet in de andere. Je leert veel van een cultuur door te proberen hem in woorden te fixeren.”

En waarom dan Frans?

„In Mali is dat de tweede taal, en ook de meest algemene taal; er zijn stammen met een ander Malinees dialect, die ik niet kan verstaan. Onze voertaal is dan Frans.

„Ik vind het ook een ambitieuze taal, vooral het Frans van de chansons. Toen ik in Brussel woonde luisterde ik veel naar Jacques Brel, Georges Brassens, Serge Gainsbourg. Hun teksten hebben mijn gebruik van het Frans beïnvloed. Dat Frans is intellectueel, bedoeld om inhoud mee over te dragen, eigenlijk meer geschikt voor romans dan voor liedjes. In het Engels kun je gewoon zingen; ‘I woke up this morning and was happy, happy, happy’. Dat kan in het Frans niet. Het Engels is eigenlijk een veel geschiktere taal voor popmuziek.”

Er staat ook een Engelstalig nummer op Tchamantché, een cover van Billie Holidays ‘The man I love’.

„Die cover is een vormexperiment. Ik beschouw mezelf niet echt als een zangeres, maar zie mijn stem meer als een instrument waarvan ik alle mogelijkheden wil ontdekken. Bij dit nummer kon ik weer iets nieuws doen met mijn stem.”

Bent u anders gaan zingen nu dit album zo anders, meer westers is?

„Ja, mijn stem moet natuurlijk wel bij de arrangementen passen. Maar ik zing sowieso altijd anders, al naar gelang de omstandigheden. Ik ben niet het soort zanger dat een bepaalde techniek beheerst, punt. Bij mij hangt alles af van het moment, van het samenspel met mijn band, van het publiek, van hoe ik me voel. Zo kan ik bijvoorbeeld eigenlijk niet zo hoog zingen, maar soms lukt dat al improviserend opeens wel.”

Is deze nieuwe koers bedoeld om een nieuw publiek aan te spreken?

„Nee, het experiment met de traditionele instrumenten was simpelweg klaar. Ik heb daar drie albums mee gemaakt, en weet nu alles over die instrumenten wat er te weten valt – al zullen ze altijd een rol blijven spelen in mijn muziek. Maar ik miste de blues en rock waarmee mijn muzikale opvoeding is begonnen, ik miste mijn gitaar. Het klinkt gek voor een Afrikaanse, maar ik moest terug naar mijn westerse roots.”

Tegelijk heeft u zich juist weer in Mali gevestigd, en zet u zich in voor beginnende Malinese muzikanten.

„Ik ben in staat om iets bij te dragen daar. Ik kan mijn bekendheid inzetten, mensen bij elkaar brengen, ik heb de contacten en de kennis. Onlangs heb ik een stichting opgericht op de muzikale infrastructuur in Mali te verbeteren. We willen technici opleiden en nieuwe podia beginnen. Die zijn er in Mali weinig, terwijl het land zo’n bloeiend muziekleven heeft.

„Ook denk ik dat ik, met mijn westerse achtergrond en blik, kleine veranderingen in de mentaliteit teweeg kan brengen. Dat is hoognodig, ja. Mijn nummer Tounka bijvoorbeeld gaat erover dat zoveel Afrikanen emigreren. Ik vind dat verkeerd; ze moeten blijven, of terugkomen, en hun kennis en capaciteiten inzetten om iets te maken van hun land.

„In Dounia heb ik het over de Afrikaanse geschiedenis van voor de kolonisatie. Veel Afrikanen klampen zich daaraan vast; voor hun gevoel is het het laatste moment in hun geschiedenis waar ze trots op kunnen zijn. Maar je kan die geschiedenis, van meer dan een eeuw kolonisatie, toch niet uitwissen. Dan amputeer je een deel van je eigen verleden. Ik ben het niet eens met de reflex om die hele periode als puur slecht af te doen. Zeker, het was zwaar, maar het is deel van onze geschiedenis. En het heeft ons ook dingen opgeleverd, zoals de Franse en Engelse taal. Die mogen we nu gebruiken, want ze zijn van ons geworden.”