Humboldts erfenis

Adriaan in ’t Groen – De Wende en Humboldts Erfenis. De utopie voorbij. Leiden University Press, 300 blz. Rijksuniversiteit Leiden, 27 juni 2009. Promotores: Prof.dr. W. Otterspeer, Prof.dr. A. Visser

De val van de Muur tussen Oost-en West-Berlijn op 9 november 1989 is net als de moord op Kennedy zo’n moment waarop mensen zich herinneren waar ze toen zelf waren en wat ze deden. Bij de moord op Kennedy was ik op dansles en die werd meteen gestopt toen het bericht binnenkwam. De val van de Muur was ’s avonds heel laat en ik stond met tranen in de ogen voor de televisie. Een half jaar daarvoor was ik nog in Berlijn geweest voor een lezing en toen ik bijna net zo laat als op 9 november in de wind en de regen dicht bij de Muur naar mijn hotel liep, dacht ik nog: dit is natuurlijk niet vol te houden, een eiland in een ander land. Juist omdat de spanning tussen Oost en West al aan het wegebben was, verwachtte ik dat Berlijn binnen niet al te lange tijd de ongedeelde hoofdstad van de DDR zou worden.

De Muur viel om, maar precies de andere kant uit. Dat is inmiddels al vele malen en met de inmiddels ook vertrouwde beelden herdacht. Minder aandacht gaat uit naar de veranderingen in al die individuele levens en vooral in de instituties van de DDR. Het proefschrift van Adriaan in ’t Groen onderzoekt de gevolgen van de ‘Wende’ voor de prominentste vertegenwoordigers, de hoogleraren, van een van de meest prestigieuze organisaties van de DDR: de Humboldt Universiteit. Hij biedt daarmee een intrigerende blik in een razendsnel verlopen proces van fundamentele verandering.

Een echte ‘Wende’. In ’t Groen wijst er al meteen op dat het op zich al bijzonder is dat de Humboldt Universiteit de DDR heeft overleefd en inmiddels ook in het herenigde Duitsland weer tot de top wordt gerekend. Van de zeer grote Academie van Wetenschappen van de DDR, met zijn tientallen onderzoeksinstituten en meer dan 20.000 onderzoekers, is niets meer over. Ook bij de Humboldt Universiteit heeft zich op een niet erg zachtzinnige wijze een wisseling van de wacht voltrokken. Van de vijfhonderd hoogleraren in 1989 waren er twee jaar later nog geen 150 over, van de meer dan 400 docenten verdween driekwart en van de bijna 2.000 assistenten vertrokken er zelfs 1.800. In hun plaats kwamen vooral veel hoogleraren uit het Westen en onderzoekers en docenten die vroeger politiek niet voldoende in lijn met de opvattingen van de Sozialistische Einheitspartei Deutschlands (SED) werden geacht. Degenen die verantwoordelijk waren voor de cursussen marxisme-leninisme of marxistische economie konden vrijwel meteen na de hereniging in 1990 vertrekken. De beste kansen om te blijven hadden de hoogleraren in vakken waar de marxistische ideologie weinig vat op had, zoals wiskunde, scheikunde of geneeskunde.

In het Westen hebben we eigenlijk nooit een goed beeld gehad van het functioneren van een universiteit in de landen achter het IJzeren Gordijn. In ’t Groen geeft daar zeker niet alleen een negatief beeld van. Tussen studenten en staf, inclusief – heel onduits – de hoogleraren, bestond een intensief en opvallend egalitair contact. Het accent lag ook duidelijk meer op onderwijs dan onderzoek en men werkte vooral in kleine groepen, die jarenlang bij elkaar bleven. Anders dan in de Bondsrepubliek werden de studenten al vroeg en scherp op kwaliteit geselecteerd, maar anders dan in het Westen ook werd voor de studenten bepaald wat hun studierichting zou worden. De uitval uit het onderwijs was erg klein en bijna iedereen studeerde ook binnen de daarvoor gestelde tijd af.

Dat is nu allemaal heel anders. Er zijn veel meer studenten en er is minder staf, de afstand tot de hoogleraren is weer erg groot, studenten zijn vrij in hun studiekeuze en kunnen ook veel langer over hun studie doen dan in de tijd van de DDR. Het is een beetje een paradox, maar In ’t Groen constateert terecht dat het opmerkelijk is dat in de sterk geïndividualiseerde samenleving van na de Wende de universiteit een massa-universiteit geworden is, terwijl in de collectivistische samenleving van de DDR de universiteit, zeker de Humboldt Universiteit, juist heel selectief te werk ging. Dat betekende overigens niet dat de beste studenten en hoogleraren ook veel voorzieningen werden geboden. Er was onvoldoende en ook steeds minder geld voor laboratoria en practica, er was geen geld voor moderne computers of de internationale wetenschappelijke tijdschriften. Het onderwijs kreeg daardoor een steeds theoretischer karakter en verloor de verbinding met de internationale ontwikkelingen.

Alles in de DDR werd centraal geregeld en beslist in een voor ons moeilijk te begrijpen dubbelstructuur van partij en overheid. Lidmaatschap van de SED leverde betere kansen en ook voordelen op, maar het was juist voor academici helemaal niet zo gemakkelijk lid van de partij te worden. Men vreesde een overheersing van hoogopgeleiden over de boeren en arbeiders, die toch de ruggengraat van de socialistische samenleving vormden. Niet meer dan de helft van de hoogleraren was lid van de partij en een belangrijk deel was dat ook echt uit overtuiging. Een griezelig detail is wel dat de belangrijkste partijlidhoogleraren en -directeuren in het geheim werden uitgerust met een pistool. Gebruikt zijn de wapens nooit, maar in opdracht van de binnenlandse veiligheidsdienst was aan de universiteit onderlinge spionage algemeen.

In ’t Groen heeft met veel hoogleraren, de ‘verliezers’, de ‘winnaars’ en de ‘overlevers’ gesproken en in hun geschiedenis de patronen herkend die naar zijn idee typisch zijn voor de Duitse universitaire wereld. Wilhelm von Humboldt heeft de Duitsers niet alleen het ideaal van de Bildung gegeven, maar ook welbewust de universiteit als de plaats bij uitstek waar Bildung tot stand moet komen, verbonden met de staat. De verbinding tussen de moderne, verlichte staat en de wereld van wetenschap en kennis wordt in zijn opvatting gevonden in de door de staat bepaalde selectie van hoogleraren. Na de Wende kwam de Humboldt Universiteit onder het gezag van de regering van de stad Berlijn te staan en het stadsbestuur (Senat) werd daarmee ook verantwoordelijk voor de benoeming van nieuwe hoogleraren. In ’t Groen ziet dan ook de opmerkelijke continuïteit van het instituut universiteit in de toch zeer wisselvallige Duitse geschiedenis van de laatste tweehonderd jaar als een direct gevolg van de sterke band met de staat. Tegelijkertijd leidt dat er ook toe dat bij een fundamentele politieke verandering de hoogleraren de kans lopen te worden uitgewisseld. De universiteit is niet van hen, zij zijn er met de universiteit voor de staat. Dat was zo in het Pruisen van de negentiende eeuw, tijdens het keizerrijk, onder Hitler, daarna onder de DDR en nu dus het nieuwe herenigde Duitsland.