Hoopvol in Gaddafi's gevangenis, vastgelopen in vrijheid

De arts Ashraf el Hagog was wereldnieuws toen Libië hem vrijliet. Nu zit hij werkloos in Woerden en voelt zich in de steek gelaten. Hij klaagt Libië aan. „Mijn leven is verwoest.”

Een foto van de ouders van Ashraf el Hagog Gomma in betere tijden. Zij in een hooggesloten witte blouse, het halflange haar nog onbedekt. Ze was lerares scheikunde op een middelbare school in Tarhunah, een kleine stad in Libië. Hij staat naast haar, trots, in tweedelig grijs. Hij was leraar wiskunde.

Nu wonen ze in Woerden, in een eengezinshuis aan een woonerf. Ze kregen met hun vier dochters politiek asiel in Nederland toen Ashraf el Hagog in Libië gevangen zat en tot tweemaal toe ter dood werd veroordeeld. Hij was de arts die met vijf Bulgaarse verpleegsters in een ziekenhuis in Benghazi 426 kinderen opzettelijk zou hebben besmet met het aidsvirus hiv.

Hij bekende dat ook. Nadat hij maanden in een donkere, ijskoude isoleercel had gezeten, waar hij alleen uit werd gehaald om te worden gemarteld: elektrische schokken terwijl hij naakt op een ijzeren bed lag, anale verkrachting, toekijken bij verkrachting van de verpleegsters, vuur, water, honden, dreigementen dat ze zijn zusjes zouden oppakken en ook zouden verkrachten, enzovoort.

De hele wereld, behalve de Libische leider Gaddafi, wist dat de beschuldigingen vals waren. Westerse aidsdeskundigen schreven in 2006 in het wetenschappelijke tijdschrift Nature dat de hiv-epidemie al was uitgebroken voordat Ashraf el Hagog en de verpleegsters in het ziekenhuis werkten.

Gaddafi had zondebokken nodig en koos niet-Libiërs. Ashraf el Hagog is Palestijn, zijn ouders vluchtten in 1956 uit Gaza en vestigden zich in Libië.

Op 24 juli 2007 kwamen Ashraf el Hagog en de verpleegsters vrij, na internationale druk en bemiddeling van de Europese Unie en Frankrijk. Libië kreeg 426 miljoen dollar, een miljoen dollar per besmet kind. Volgens Gadaffi kwam het geld vooral uit Bulgarije, Slowakije, Tsjechië en Qatar.

Dezelfde dag vlogen Ashraf el Hagog en de verpleegsters naar Sofia, de hoofdstad van Bulgarije, omringd door ambassadeurs, presidenten en andere belangrijke mensen. Iedereen wilde meedelen in dit succes van de internationale diplomatie. „In de roes van de vrijheid”, zegt Ashraf el Hagog nu, „hoorde ik wel duizend beloftes over de toekomst die nu alleen nog goed zou zijn.”

En nu zit Ashraf el Hagog op de bank bij zijn ouders in Woerden, zonder werk, inkomen, of vooruitzichten. Zijn moeder brengt thee. Ze draagt een gele hoofddoek. Toen hij in de cel zat, zwoer ze dat ze altijd een hoofddoek zou dragen als haar zoon vrijkwam.

Hij kreeg na zijn vrijlating de Bulgaarse nationaliteit omdat hij als ‘stateloze Palestijn’ anders buiten de deal rond de vrijlating zou vallen. Zijn ouders en zusjes hebben als uitgenodigde vluchteling een verblijfsvergunning en zullen de Nederlandse nationaliteit krijgen. Ashraf el Hagog mag als Bulgaar in Nederland verblijven, maar niet meer dan tien uur per week werken en niet studeren. Asieladvocaat Flip Schüller: „Hij loopt vast.” Schüller vroeg vorig jaar hem om humanitaire redenen een verblijfsvergunning toe te kennen. Staatssecretaris Albayrak (Justitie, PvdA) wees de aanvraag af. Hij kan toch naar Bulgarije? Zijn leven loopt toch geen gevaar?

Formeel heeft ze gelijk, zegt Schüller. „Maar soms moet je genade voor recht toepassen.”

Ashraf el Hagog is nu tweeënhalf jaar vrij. Hij voelt zich in de steek gelaten. Het enige wat hij wil „is een gewoon leven. Ik wil werk, liefst een gezin. Ik vraag niet veel, ik wil graag een verblijfsvergunning zodat ik in Nederland kan studeren of werken. In Bulgarije heb ik niemand.”

Hij heeft het wel geprobeerd. Een paar dagen na zijn vrijlating werd een ontmoeting gearrangeerd tussen hem en een Bulgaarse vrouw die hem op tv had gezien en verliefd was geworden. „Ik dacht dat ik ook verliefd was. Achteraf denk ik dat ik na acht jaar gevangenschap niet in staat was om mijn gevoel juist te beoordelen. Toen wilde ik zo snel mogelijk een normaal leven.” Ze trouwden, onder grote belangstelling van de pers.

Ze hadden een appartement in het centrum van Sofia. Hij werkte als schilder en schoonmaker. Ze kregen samen een zoontje, nu anderhalf. Maar het huwelijk mislukte. „Ik deed mijn best”, zegt Ashraf el Hagog. „Ik nam elke twee dagen iets voor haar mee, een roos of zo. Misschien had ze verwacht dat ik miljoenen zou krijgen, als schadevergoeding.” Hij vroeg een scheiding aan en keerde terug naar Nederland, naar Woerden.

Daar had hij twee weken na zijn vrijlating een persconferentie gegeven, voor een zaal vol nationale en internationale pers. Daar zat hij, in zijn donkere pak met roze overhemd en roze das, strijdbaar en schijnbaar ongebroken. Hij zei dat hij niet zou rusten voor zijn naam was gezuiverd, hij overwoog juridische stappen tegen Libië.

Die heeft hij inmiddels genomen. Advocaat Liesbeth Zegveld diende namens hem begin 2008 een klacht in bij de Verenigde Naties. Ashraf el Hagog beschuldigt Libië van foltering, een oneerlijk proces, onrechtmatig opleggen van de doodstraf en onterechte detentie. Hij wil rehabilitatie en een schadevergoeding. Hij deed dat na een jaar van twijfel. Nederland, Bulgarije en de EU hadden hem de klacht afgeraden. Ze vreesden schade voor hun hernieuwde betrekkingen met Libië. Of dat het andere Bulgaarse verpleegsters in Libië in gevaar zou brengen.

De Bulgaarse verpleegsters volgden zijn voorbeeld eind vorig jaar. „Uiteindelijk kon ik niet anders”, zegt Ashraf el Hagog. „Mijn leven is verwoest. Ik vind dat de verantwoordelijken gestraft moeten worden.” Als de klacht ontvankelijk wordt verklaard, kan het mensenrechtencomité van de VN Libië veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding.

Liesbeth Zegveld is ook de advocaat van de verpleegsters. „Ashraf en de vijf vrouwen zijn langdurig en ernstig gemarteld. Ze hebben acht jaar onterecht in de cel gezeten. Het bewijs is volstrekt helder. Dat is in strijd met alle mensenrechtenverdragen. Libië moet een schadevergoeding betalen. Maar daarvoor is ook internationale druk nodig. Ik vertrouw erop dat de EU en Nederland zich daarvoor zulleninzetten. Dat is hun plicht. De zaak is niet afgelopen nu ze vrij zijn, de zaak begint nu.”

In een café in Woerden vertelt Ashraf el Hagog over zijn leven voor zijn gevangenschap. Hij komt uit een warm gezin, vertelt hij. Zijn ouders zorgden goed voor hun vijf kinderen. „We zagen er altijd goed gekleed en goed verzorgd uit.” Hij werd, als enige zoon, extra verwend. „Ik had tijdens mijn studietijd drie auto’s. Ik haalde goede cijfers, wist me te gedragen. Mijn ouders waardeerden dat. Ze hadden er ook het geld voor. Ze werkten toen al bijna dertig jaar in Libië.”

Hij werkte als co-assistent in het ziekenhuis van Benghazi toen hij werd opgehaald en ondervraagd door de politie. Het ging over de hiv-infectie. Hij wist daarvan. In 1998 werd bekend dat in het ziekenhuis veel kinderen aids hadden. Gaddafi beloofde de ouders van de kinderen de schuldigen te straffen. Ashraf el Hagog: „Ze wilden alles weten over het ziekenhuis, over collega’s, over de infectie. Ik vertelde dat ik van de infectie niets wist en dat ik het anders zou hebben gemeld. Ik maakte me niet erg druk. Ook mijn collega’s werden ondervraagd.” Na drie dagen lieten ze hem gaan. Hij was goed behandeld – toen wel.

Na een bezoek aan zijn ouders reed hij op 27 januari 1999 met zijn verloofde terug naar de universiteit. „Het leven zag er goed uit. Ik was bijna afgestudeerd en dan zou ik trouwen.” Een dag later vond hij een brief van de politie op zijn kamer in een studentenflat. Of hij zich wilde melden. „Ik ging er meteen maar even langs.”

Hij herkende de kolonel op het politiebureau van de vorige keer. De kolonel keek verbaasd. „Ik denk niet dat we je nog nodig hebben, Ashraf”, zei hij. „Maar ik zal even bellen.” Toen hij terugkwam, keek hij bezorgd. „Ik moet je vasthouden. God zal je beschermen.”

Op 30 november 1999, bijna een jaar later, zag hij in de gevangenis voor het eerst zijn familie terug. Zijn verloofde wachtte jarenlang op zijn vrijlating – tot eind 2003. Toen belde ze hem op en zei dat ze niet langer kon wachten. Ze trouwde met een andere man. Hij begrijpt dat, zegt hij.

Eindeloos waren de jaren in een cel van twee bij twee meter. Een gat in de grond diende als wc. Tussen elf en vijf uur mochten gevangenen op de gang op en neer lopen. De zon kon hij niet zien, wel een stukje lucht. „Ik putte hoop uit de vele kaarten die ik kreeg uit de hele wereld. Ik kreeg biscuits, kaas en sigaretten uit Bulgarije. Ambassademedewerkers kwamen op bezoek. Ons lot deed ertoe. De wereld keek mee.”

Maar dat gevoel is nu voorbij. Ashraf el Hagog is vrij en hij hoeft niet te vrezen voor zijn leven.