Het Duitse beleid is zo gek nog niet, meneer De Kam

Zelden kan ik Flip de Kam betrappen op onzorgvuldig redeneren. In zijn vergelijking van de effectiviteit van het Nederlandse en Duitse budgettaire beleid (NRC Handelsblad, 31 oktober) doet hij echter de degelijkheid van onze oosterburen tekort. Ik beperk me tot twee punten.

De Kam concludeert dat toekomstige generaties het meest gebaat zijn bij het Nederlandse model „omdat het grotere zekerheid biedt dat noodzakelijke bezuinigingen daadwerkelijk worden getroffen”. Eerder echter constateert hij dat de Duitse grondwet regeringen binnenkort zal dwingen om tekorten tot 0,35 procent te beperken. Over nut en noodzaak daarvan valt te twisten, maar als anker is de Schuldenbremse onverslaanbaar. Deze werkt op basis van het voor cyclische invloeden geschoonde overheidssaldo. Dat klinkt manipuleerbaar, maar de methodologie komt van de Europese Commissie die dit cijfer ook publiceert. Op handhaving wordt toegezien door een aparte Stabiliteitsraad en het Bundesverfassungsgericht.

Ten tweede kondigt het Duitse coalitieakkoord niet alleen lastenverlichting aan, maar ook een begrenzing van alle uitgaven tot onder de groei van het bbp. Zoals minister Bos bij de Financiële Beschouwingen duidelijk maakte is in Nederland het probleem dat de reële uitgavenkaders bij iedere realistische groeiveronderstelling een structureel tekort opleveren (de 30 miljard). Het nut van automatische stabilisatie leidt zo tot een falende aanpassing aan lagere inkomsten. Wat is nu beter of slechter: ongedekt lasten verlichten voor 1 procent per jaar of de uitgaven automatisch met meer dan 1 procent laten toenemen?

Dat alles neemt niet weg dat ook de Duitse regering er niet aan zal ontkomen om bezuinigingen te treffen. De ramingen na 2010 suggereren groeicijfers tot 2 procent. Worden die werkelijkheid dan zijn de voorstellen onvoldoende om het tekort (5,2 procent in 2010) in een voor het Stabiliteitspact afdoende tempo te dichten.

Arthur van Riel

Gouda