Grondwet is bepalend, niet God of Allah

Als het aan een meerderheid van de Tweede Kamer ligt, komt Allah er niet in, in de ambtseed die ambtenaren bij gemeenten en provincies afleggen. God mag daarentegen blijven.

De Kamer nam vorige week een motie aan van CDA, ChristenUnie en SGP om één formulering van de eed of belofte voor deze ambtenaren verplicht voor te schrijven. Volgens CDA’er De Pater-Van der Meer kan het niet de bedoeling zijn dat allerlei religieuze varianten worden gehanteerd. „Dé religieuze variant in Nederland” moet volgens haar in de eed tot uitdrukking worden gebracht. Het is een standpunt dat herinneringen oproept aan de gezongen stelling van de Positivo’s (Van Kooten en De Bie): „Onze god die is de beste, onze god is kampioen.”

Dat de drie confessionele fracties een dergelijke opvatting huldigen, is te begrijpen. Minder logisch is het dat seculiere partijen als VVD en PVV alsmede de fractie-Verdonk de motie aan een meerderheid hebben geholpen.

Het ging deze fracties er kennelijk eerder om een voorstel met een anti-islamtrekje aan voldoende stemmen te helpen dan om een meer principieel debat: waarom kan iedere ambtenaar, ieder Kamerlid of andere politicus niet volstaan met een belofte of verklaring dat hij trouw zal zijn aan de Grondwet en zijn ambt getrouw zal vervullen? Wie God, Allah of een ander opperwezen bij zijn functioneren wil betrekken, kan daarvoor heel goed in kerk, moskee of eigen politieke beweging terecht. Maar voor wie dienaar is van de neutrale overheid, geldt ambtshalve een ander geschrift dan Bijbel of Koran als hoogste leidraad: de Grondwet.

De motie van de drie christelijke partijen lijkt in strijd met een formulering in de nog altijd geldende Wet vorm van de eed uit 1911. Daarin wordt de keuze geboden tussen de eed („zoo waarlijk helpe mij God Almachtig”), de belofte („dat beloof ik”) of de bevestiging („dat verklaar ik”). Artikel 1 bevat echter een toevoeging: „tenzij hij aan zijn godsdienstige gezindheid den plicht ontleent den eed, de belofte of de bevestiging op andere wijze te doen”. En uit 1916 stamt een Koninklijk Besluit dat militairen en burgerpersoneel bij Defensie nog altijd de mogelijkheid biedt de eed op Allah af te leggen. Die uitzondering werd destijds gemaakt voor moslims bij het Koninklijk Nederlands Indisch Leger, in een tijd dat het Koninkrijk der Nederlanden heel wat meer islamieten telde dan nu.

De islamitische eed is ook bij de politie een tijd mogelijk geweest. Maar omdat de richtlijnen niet overal even duidelijk waren, rezen er twijfels over de bewijskracht van een proces-verbaal dat niet met de enige juiste ambtseed was opgemaakt, met name bij overtredingen die op heterdaad waren geconstateerd.

Dat ongewenste neveneffect vormt een argument voor één vaste, voor iedereen geldende, niet-religieus getinte formulering. Maar het ziet ernaar uit dat het kabinet de motie wel zal uitvoeren. Minister Ter Horst (Binnenlandse Zaken, PvdA) is al blij dat de gemeenten en provincies tegenwoordig de ambtseed weer afnemen. Dat was lang niet het geval. En zij redeneert, kort samengevat, dat God en Allah ongeveer hetzelfde zijn. Een pragmatisch standpunt dat haar een hoop gedoe in de coalitie scheelt. De seculieren maakt het verder weinig uit, en zwijgen. Eigenlijk is dat wel zonde.