Expertdiscussie

Geen eenduidige normen bij levensbeëindiging

De in 2007 door VWS en Justitie ingestelde toetsingscommissie voor levensbeëindiging bij pasgeborenen bracht onlangs haar jaarverslag over 2008 uit. Voor het tweede achtereenvolgende jaar blijken artsen geen enkel geval van levensbeëindiging bij de commissie te hebben gemeld. Opmerkelijk, omdat het evaluatieonderzoek naar de euthanasiewet eerder liet zien dat jaarlijks ongeveer honderd keer het leven van een baby wordt beëindigd. Het doel van de instelling van de commissie – toetsing van levensbeëindiging door het strafrecht op afstand te houden – wordt niet gerealiseerd. Dat komt door gebrek aan consensus. Uit onderzoek is bekend dat artsen het toedienen van een dodelijk middel niet als ‘levensbeëindiging’ beschouwen als dat gebeurt na het niet instellen of staken van een voor levensbehoud noodzakelijke behandeling. Het achterwege blijven van zo’n behandeling, waardoor het kind sowieso binnen niet al te lange tijd zal overlijden, kan bijvoorbeeld zijn ingegeven door de slechte medische conditie van het kind. Terwijl de commissie meent dat levensbeëindiging dan moet worden gemeld, beschouwen artsen het als vakkundig medisch handelen. Nog problematischer ligt levensbeëindiging waaraan geen beslissing is voorafgegaan om een voor levensbehoud noodzakelijke behandeling niet in te stellen of te staken. In die situatie berust de levensbeëindiging op een inschatting van de te verwachten kwaliteit van het toekomstige leven van het kind. Kennelijk gingen VWS en Justitie ervan uit dat daarover binnen de beroepsgroep al voldoende duidelijkheid is geschapen. Dat is onjuist. Zo geeft 60 procent van de kinderartsen aan zonder uitdrukkelijk verzoek van de patiënt nooit levensbeëindigend te zullen handelen.

De commissie moet dus zelf normen formuleren. Vanuit hun eigen standpunt is het niet raar dat artsen niet melden. Ze kunnen de omvang van het risico om in een strafproces verzeild te raken niet beoordelen. Net als bij euthanasie is gebeurd, zullen artsen het eerst eens moeten worden over normen voor levensbeëindiging bij pasgeborenen. Zolang dat niet lukt, is toetsing een illusie.

Alex Bood

Verbonden aan het wetenschappelijk bureau van het OM. Hij schrijft dit op persoonlijke titel.

Blaas art. 147 juist nieuw leven in

Vanuit strafrechtelijk perspectief wordt door tegenstanders van het verbod op smalende godslastering, art. 147, de stelling ingenomen dat het verbod is verworden tot een dode letter. Maar de huidige maatschappelijke tendensen van verharding en intolerantie jegens gelovigen, noodzaken juist tot een effectievere inzet van het strafrecht in het algemeen en van het verbod op smalende godslastering in het bijzonder.

Het revitaliseren van art. 147 hoeft niet te leiden tot een ontoelaatbare inperking van de vrijheid van meningsuiting. Dat is een vrijheid die uitgeoefend dient te worden in verantwoordelijkheid. Zij houdt dus niet in dat men gelovigen en hun God op onnodig grove wijze mag beledigen of lasteren. Bovendien blijkt uit een rapport van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum uit 2007 dat niet zozeer de vrijheid van meningsuiting als wel de vrijheid van godsdienst onder druk staat. Hoewel het debat over religie bij het publieke domein hoort en men in de eerste plaats in onderling respect voor godsdienstige opvattingen dient te vragen, meen ik dat de tijd rijp is voor een meer adequate bepaling die gelovigen in hun godsdienstige gevoelens beschermt wanneer hun God wordt gelasterd. Het debat lijkt namelijk steeds meer te worden beheerst door groepen of individuen die hun intolerante, antireligieuze opvattingen in grievende bewoordingen proberen op te dringen. Het is daarom noodzakelijk om art. 147 nieuw leven in te blazen, opdat van overheidswege gezorgd wordt voor een adequate bescherming van godsdienstige gevoelens.

mr. Harmen van der Wilt

Advocaat, deed onderzoek naar de validiteit van de argumenten omtrent wel of niet afschaffen art. 147.

Dit zijn delen uit langere expertdiscussies, te lezen via nrc.nl/expert