Domweg gelukkig tussen de paddenpoelen

Natuurbeschermers, wie zijn zij? Stadsecoloog Martin Melchers ontfermt zich over de vossen en kikkers in Amsterdam.

Liefde voor de natuur is vermoedelijk genetisch bepaald, denkt stadsecoloog Martin Melchers. „Ik wens het iedereen toe. Wie met het natuurgen is behept, hoeft zich nooit te vervelen. Als iedereen het gen zou hebben, dan zouden er geen hangjongeren meer zijn. Voor hen zou het leven één groot mysterie zijn. Want in de stad is er altijd iets bijzonders aan de hand.” Des te „schandaliger”, vindt hij, dat Amsterdam geen natuurhistorisch museum heeft. „Dat zit me dwars. Want je moet als jongetje met liefde voor de natuur leermeesters hebben. Mijn vader wees weleens in de lucht en zei dat daar een sperwer ging. Misschien was het wel een slechtvalk.”

Zeventien jaar is Martin Melchers stadsecoloog geweest. Vorige week heeft hij afscheid genomen, met onder meer een symposium en de première van een zelfgemaakte documentaire over natuur in Amsterdam. Min of meer bij toeval werd hij tot het ambt geroepen. Op zijn visitekaartje staat een haas, de bijnaam die hij als kind kreeg van zijn klasgenoten, omdat hij tijdens schooluitjes naar het Amsterdamse Bos voortdurend riep: Ik zie een háás! Ik zie een háás!

Maar van de natuur maakte hij niet zijn beroep. Hij werkte jarenlang als hoofd van de afdeling fysiotherapie voor de GGD in Amsterdam. Totdat in de jaren tachtig, zoals hij vertelt, „de McKinseys van deze wereld” de kantoren afgingen om te zeggen dat het allemaal veel efficiënter kon. Omdat hij bang was zijn baan te verliezen, besloot hij meer werk te maken van zijn hobby. Hij bracht de Amsterdamse stadsnatuur in kaart en schreef er een boek over, Haring in het IJ. „Ik wilde laten zien dat er meer is dan meeuwen en duiven.”

De gemeente Amsterdam vroeg hem, naast zijn baan als fysiotherapeut, ook als stadsecoloog de hoofdstad te dienen met adviezen over de stadsnatuur. „Ik heb toen ja gezegd onder de voorwaarde dat ik niet hoefde te vergaderen of achter een computer te zitten. Ik wilde een vrije rol. Die heb ik gekregen. Het is misschien iets voor het Guinness Book of Records: ik heb als stadsecoloog nog nooit mijn mail geopend.”

Hij heeft als stadsecoloog veel moois meegemaakt. „Het leuke aan deze functie is dat je het nieuws op een presenteerblaadje krijgt. Als er nu een boommarter op de A10 wordt doodgereden, dan weet ik dat over een half uur. Mensen bellen op om te zeggen dat er een groot dampend damhert op het fietspad voor hen staat.”

Melchers heeft ook de beperkingen van zijn functie leren kennen. Niet altijd is er naar hem geluisterd. „Dan werd ik de bijklussende fysiotherapeut genoemd.” Zijn grootste conflict had hij, toen werd besloten tot de bouw van de wijk IJburg. „Ik vond dat verschrikkelijk. Een open oever naar een groot zoet water, daar moet je afblijven, die is goud waard. Je gaat daar toch geen Vinexwijk in klodderen? Laat Almere dat soort woningen maar bouwen. Toen ik dat leuk kon vertellen, kreeg ik een spreekverbod. Als het ertoe deed, moest ik opeens mijn mond houden. Ik wilde weg. Maar ja, mijn vrouw heeft toen op me ingepraat. Ze zei: je kunt méér bereiken door te blijven. Dat heb ik toen maar gedaan.” Nee, in de loop der jaren is Melchers wel duidelijk geworden dat zijn macht niet onbeperkt is. Misschien is invloed daarom een beter woord. „Ik zaai gedachtegoed en laat iedereen het maar jatten.”

Hij woont in de Amsterdamse Watergraafsmeer. In zijn tuin een vijver met padden en zeldzame varensoorten. Boven het huis krijst een halsbandparkiet. In de huiskamer staan een opgezette vos, een bunzing en een boommarter; enkele van de vele dieren die jaarlijks worden doodgereden op vooral de ringweg A10. „De cirkelzaag om de stad.”

In zijn kast boeken en boekjes die hij veelal met anderen heeft geschreven. Een standaardwerk over steden als bronnen voor natuur. Een boek over insecten. Een boek dat hij schreef met twee vrienden over het Westelijk Havengebied. „Ik heb dat gebied gekend toen het nog maagdelijk was”, zegt hij. De drie vrienden zwierven rond, toen begin jaren zeventig de industrie als gevolg van de oliecrisismaar niet wilde komen naar de opgespoten terreinen. Deze ‘spuitvelden’ raakten daardoor weelderig begroeid en bevolkt door dieren. „De vele heerlijke momenten die ik op de spuitvelden van Amsterdam mocht doorbrengen zijn verbonden met het geluid van de rugstreeppad”, schreef hij in Onverklaarbaar gelukkig.

We rijden met een auto naar het Westelijke Havengebied. Onderweg vertelt hij honderduit over stukjes stad waar het een komen en gaan is van planten en dieren. In Amsterdam worden voortdurend nieuwe soorten aangevoerd, via vliegtuigen, schepen, vrachtwagens en auto’s. Nee, kom bij Melchers niet aan met verhalen over de gevaren van exotische soorten die inheemse planten en dieren bedreigen. „Wat is erop tegen dat de Ponto-Kaspische vlokreeft voor het huis van burgemeester Cohen in de Herengracht zwemt? Moeten we tegenhouden dat de roofblei hier in de Amstel zwemt? Die gaat echt niet meer weg, hoor. Alles beweegt. Zoiets als een natuurlijk evenwicht bestaat niet.”

We rijden langs een zandhoop in de haven waar oeverzwaluwen hebben gebroed, en die hier volgend jaar geen zandhoop meer vinden. „Dat is dynamiek.” Op honderd meter hoogte huist in de schoorsteen van het Afval Energie Bedrijf een slechtvalk. „Daar!” wijst hij aan. Laatst heeft Melchers hier nog een stel spelende vossen kunnen filmen. We stappen uit bij enkele van de ruim twintig poelen die op zijn aanwijzingen de afgelopen jaren in de haven zijn aangelegd, vooral voor de rugstreeppadden. De poelen moeten natuurlijk wél vrij van begroeiing blijven, vertelt hij. „Help je even mee om de jonge bomen uit de grond te trekken?”