De voedselcrisis kan zich zo weer herhalen

In Rome begint maandag een driedaagse top over honger. Er moet geld in de landbouw worden gepompt en overheden moeten een grotere rol spelen. Maar wie zal internationaal de touwtjes in handen hebben?

De Voedsel en Landbouw Organisatie (FAO) van de VN wil een nieuwe impuls geven aan de strijd tegen honger. Een vernieuwd Comité voor Voedselzekerheid (CFS) moet het mondiale orgaan worden dat er op toeziet dat ontwikkelingslanden hun bevolking niet laten verhongeren en rijke donorlanden zich aan hun beloften houden. „We zijn nu beter gepositioneerd dan ooit om de honger aan te pakken”, stelt Agnes van Ardenne, de Nederlandse vertegenwoordiger bij de FAO per telefoon vanuit Rome, waar maandag de FAO-voedseltop begint.

Rijke én arme landen hebben de afgelopen dertig jaar de landbouw in ontwikkelingslanden laten verwelken. De slotverklaring van de voedseltop, die al bekend is, constateert dat in 1980 nog 19 procent van alle ontwikkelingshulp aan landbouw werd besteed, maar dat dit aandeel in 2006 tot slechts 3,8 procent was gedaald. Dit moet weer „substantieel hoger”, stelt de verklaring.

In de strijd tegen honger neemt de wereld definitief afscheid van de zogeheten Washington-consensus: de gedachte dat de overheid moest terugtreden en de markt zijn gang moest laten gaan. Dat idee heeft gefaald, zegt VN-voedselrapporteur Olivier De Schutter tijdens een recent bezoek aan Amsterdam. „Allerlei systemen voor ondersteuning van boeren zijn ontmanteld met het idee dat de particuliere sector deze rol over zou nemen, maar dit is nooit gebeurd”, zegt De Schutter. „Boeren werden aan hun lot overgelaten en produceerden uiteindelijk alleen nog maar voor zich zelf.”

Niet alleen werden boeren aan hun lot overgelaten, ook landen werden in het diepe gegooid. Voorschriften voor ‘structurele hervorming’ van Wereldbank of IMF konden een land maken of breken. Het was „onzinnig”, zegt directeur-generaal Jacques Diouf van de FAO, dat een land als Haïti ooit onder dwang zijn markt voor buitenlandse rijst moest openen, waardoor de eigen boeren ten onder gingen, „terwijl de VS en de EU hun eigen boeren met miljarden dollars steunen”.

Het ongebreidelde geloof in de heilzame werking van de markt is in Europa en de VS alweer ingehaald door een nieuwe boosdoener: de stimulering van biobrandstoffen. Landbouwexperts zijn het erover eens dat dit de belangrijkste oorzaak was van de voedselcrisis van 2008. Het grootschalig gesubsidieerd verstoken van maïs tot brandstof in de VS, zo luidt de redenering, zorgde in 2007 voor een hausse in de maïsprijs, al snel gevolgd door andere granen als tarwe en rijst. De prijsstijging van dit basisvoedsel zorgde ervoor dat tientallen miljoenen armen die tot dan toe net genoeg te eten hadden, opeens hun dagelijkse voedsel niet meer konden betalen. Iemand die al de helft of meer van z’n karige inkomen aan voedsel kwijt is, moet minder of slechter gaan eten als de prijzen verdubbelen.

Het aantal ondervoede mensen is na een jarenlange daling dus weer gaan stijgen en ligt nu, volgens schattingen van de FAO, boven de 1 miljard. Terwijl de wereld tot twee keer toe (op de Wereldvoedseltop van 1996 en in de Millenniumdoelen van 2001) heeft besloten om het aantal hongerenden in de wereld – midden jaren negentig nog zo’n 800 miljoen mensen – te halveren.

Toch veranderen de EU en de VS niets aan hun stimuleringsbeleid voor biobrandstoffen. Sterker nog, tijdens de top in Rome volgende week zal iedereen doen alsof zijn neus bloedt, zo is de verwachting. Want er „zijn meer studies nodig”, aldus de slotverklaring, om te verzekeren dat de productie van biobrandstoffen „in overeenstemming is met de principes van duurzame ontwikkeling en rekening houdt met de noodzaak om de wereld van voldoende voedsel te voorzien”.

„Als het huidige beleid voor biobrandstoffen doorgaat”, waarschuwt hoogleraar Michiel Keyzer, „hebben we over twee jaar weer dezelfde problemen als in 2008.” Keyzer, directeur van de Stichting Onderzoek Wereldvoedselvoorziening van de Vrije Universiteit in Amsterdam, was in oktober bij de FAO in Rome voor een voorbereidende top van experts. „Iedereen was het in Rome eens over de gevolgen van het biobrandstoffenbeleid, zelfs de afgevaardigde van het Amerikaanse ministerie van Landbouw”, zegt Keyzer. „Maar het is de binnenlandse politiek van de VS en de EU, die verhindert dat we ons publiekelijk uitspreken over biobrandstoffen.”

Politieke machtsstrijd speelt ook een rol op het punt waar wel overeenstemming over is: verhoging van de investeringen in landbouw. Tijdens de G20-top in Pittsburgh in september van dit jaar is opgeroepen tot de oprichting van een Voedselzekerheidsfonds bij de Wereldbank, dat namens donoren projecten moet gaan uitvoeren in ontwikkelingslanden. Maar wie gaat bepalen waar het geld aan wordt besteed? „Bij de Wereldbank hangt het stemrecht af van de hoeveelheid dollars die je bijdraagt”, zegt Chris Leather van ontwikkelingsorganisatie Oxfam. Ontwikkelingslanden delven natuurlijk het onderspit in een dergelijke opzet. Volgens Oxfam circuleert er momenteel een tekst in Rome, waarin in het bestuur van zo’n fonds alleen ruimte is voor donorlanden.

Tegenstanders willen het eerder genoemde Comité voor Voedselzekerheid (CFS) van de FAO zelf als hoogste voedselautoriteit installeren. „We moeten het bestuur over voedselzekerheid versterken via een hervormd CFS”, zegt Diouf, die stelt dat er de komende jaren 44 miljard dollar per jaar nodig is om de voedselproductie te vergroten gezien de verwachte toename van de wereldbevolking. Een toezegging qua bedragen komt er deze top echter niet.

Ook De Schutter stelt dat het Voedselzekerheidsfonds „moet worden gecontroleerd door het CFS”. In tegenstelling tot de Wereldbank heeft in het CFS elke lidstaat van de VN één stem. Rijke landen moeten uitkijken dat ze zich niet tegen het toezicht door het CFS verzetten, zo klinkt door in Dioufs woorden, want „een aantal opkomende economieën heeft nog niet eens ingestemd met de opzet van het donorfonds”.

Opkomende economieën spelen tegelijkertijd een steeds grotere rol in ontwikkelingslanden. „De opkomst van China maakt duidelijk dat het niet langer alleen gaat om wat Wereldbank en IMF zeggen”, zegt hoogleraar Keyzer. „China heeft laatst weer 10 miljard dollar aan Afrika toegezegd. Ook gaan er binnenkort weer 3.000 Chinese experts naar Afrika, en er zijn er al duizenden. Dat zijn mensen die uit een harde leefomgeving komen en geen enkel probleem hebben om in Afrika in zware omstandigheden te werken. We moeten hieruit lessen leren, want zij hebben een heel ander verhaal dan bijvoorbeeld de Wereldbank.”

Nederland steunt een centrale positie van het CFS. „Dat wordt het internationale platform waar elk jaar de discussie over voedselzekerheid zal worden gevoerd”, zegt Van Ardenne. „Het CFS zal nationale strategieën coördineren, kijken of landen hulp nodig hebben en controleren of iedereen zijn beloften uitvoert. Ook het fonds van de Wereldbank zal dus in de gaten worden gehouden.”

De laatste vraag is waar dan precies in moet worden geïnvesteerd. „Kleine boeren”, zegt De Schutter, want zij kunnen met kleine verbeteringen een fors hogere opbrengst bereiken. De Schutter verwijst naar een dik rapport van 400 wetenschappers over de rol van wetenschap en techniek in de landbouw dat vorig jaar verscheen. Dit zogeheten IAASTD-rapport geeft kleine boeren een grote rol in de voedselvoorziening. Overheden kunnen deze boeren ondersteunen door te investeren in infrastructuur of verspreiding van kennis. „Beleidsmakers zouden dit IAASTD-rapport veel serieuzer moeten nemen”, zegt De Schutter.

Een aantal landen doet dit ook, zegt de Wageningse onderzoeker Janice Jiggins, één van de 400 wetenschappers. „In Frankrijk, Duitsland en Engeland maakt het deel uit van het debat”, zegt ze. „En zelfs in China.” Bij de Nederlandse overheid constateert ze geen interesse.

Lees eerdere artikelen op nrc.nl/voedselprijzen