De stelling van Rudy Stroink : Nederlandse bouw is nog steeds in de greep van het naoorlogse optimisme

De treinstations van de grote steden, de Zuidas, een campus in Maastricht: overal in het land liggen bouwputten. „Als je alle bouwplannen bij elkaar optelt, heb je 30 miljoen Nederlanders nodig om ze te vullen,” zegt Rudy Stroink tegen Ingmar Vriesema.

Voor een grote projectontwikkelaar in tijden van crisis heeft u een opvallende boodschap. ‘Denk klein. Stop met het Grote Bouwen.’

„Het ‘kleine denken’ dat ik voorsta, staat in contrast met het naoorlogse denken van de ingenieur. Na de Tweede Wereldoorlog hebben projectontwikkelaars, overheden, beleggers en ingenieurs zich samen toegelegd op de wederopbouw van Nederland. Een gigantische opgave. En er zijn knappe dingen gemaakt. Heel snel breidden de steden zich uit. Die wederopbouw werd sterk door de overheid gestuurd. Het idee was: niet nadenken, maar massa maken. Die gedachte heerst nog steeds onder de bouwers van Nederland. Terwijl de bevolkingsgroei intussen al tijden afneemt, en straks zelfs nagenoeg stilvalt. Ik zeg: het spel is veranderd. We moeten niet nog meer willen bouwen – we moeten gaan transformeren.”

Transformeren?

„Wat er nu is aan woningen en gebouwen volstaat wel min of meer. Nu moeten we ze aanpassen aan de behoeften van deze tijd. Steden anders inrichten. Straten en pleinen beter verzorgen. Zorgen dat de straten op orde komen. Dat bedoel ik met het kleine denken: we moeten als het ware gaan tuinieren – beter maken wat er al is.”

Hoe merkt u dat het Grote Bouwen niet meer werkt?

„Heel simpel: de bouwprojecten lopen vast. Er gaat echt heel veel mis op dit moment. Hoog Catharijne, het winkelcentrum naast Utrecht Centraal, wacht nu al dertig jaar op vernieuwing. Of neem de Noord-Zuidlijn in Amsterdam. Daar is veel tijd en geld aan gespendeerd, en we weten nu nóg niet of de operatie zal slagen. Amsterdam Centraal is ook een drama, al jaren. Net als Rotterdam Centraal. Het optimisme dat ons heeft geholpen het land op te bouwen, loopt vast in het zand.”

Die treinstations moeten worden aangepast aan de grotere stromen reizigers. Daar zijn ze niet op toegerust.

„Maar geen van de stations krijgt de plannen van de grond. Die bouwers zijn allemaal heel slimme mensen, hoor. De ingenieurs, de stadsplanners, de stedenbouwers, de projectontwikkelaars, de architecten. Maar de stappen die ze willen nemen, zijn te groot, vergen te veel kapitaal en te veel vergunningen.”

De Crisis- en Herstelwet, die deze week steun van de Kamer kreeg, is juist bedoeld om die procedures te versnellen.

„Het probleem gaat dieper. Bouwend Nederland gelooft nog steeds in de maakbaarheid van de stad. Dat idee is niet gebaseerd op kennis. Ik ben zelf opgeleid tot architect. De opdracht die de universiteit mij bij mijn afstuderen meegaf luidde: jij gaat de wereld verbeteren. Ze zeiden niet: jij moet de wereld doorgronden. Daar ben ik ook niet toe opgeleid. We moeten steden bouwen, maar hoe die steden in elkaar zitten? Dat weten we niet zo goed.”

Inmiddels weet u het wel?

„Steden zijn niet meer de sociale opgave van na de Tweede Wereldoorlog. De Utrechtenaar, de Amsterdammer, de Rotterdammer – ze bestaan niet meer. De Rotterdammer doet zijn boodschappen in Den Haag, werkt in Amsterdam en gaat naar het theater in Utrecht. De files zijn er niet voor niets. Steden, vooral in de Randstad, zijn versmolten tot één groot netwerk. Tegelijkertijd wordt het denken van gemeentes nog steeds zeer sterk bepaald door de stadsgrenzen: ‘we moeten voor ónze bewoners zorgen dat ze in onze stad kunnen wonen, werken, winkelen, wandelen, naar school kunnen’. Alsof mensen nog gebonden zijn aan de stad. Vroeger was dat zo, ja. Toen kampeerde men op de Veluwe. Tegenwoordig gaat men naar Kenia met vakantie. De actieradius van de stedeling is vergroot, en dat is lastig voor de stadsplanner.”

Stadsplanners zijn toch niet van gisteren?

„Neem nu nog eens Hoog Catharijne. Voor wie is dat winkelcentrum bedoeld? Als je de gemeente Utrecht moet geloven, is Hoog Catharijne hét winkelcentrum van de stad Utrecht. Hoezo, denk ik dan. Het trekt mensen uit de hele regio – Nieuwegein, Zeist, Houten. En het trekt treinreizigers, die er even doorheen flitsen. De reikwijdte is dus veel groter dan de stad. Tegelijkertijd moet je je er bij neerleggen dat de Zeistenaar ook wel eens winkelt in Zeist, en ook heus wel eens naar Amsterdam gaat. Anno 2009 moet je dus niet een winkelcentrum als elk ander maken. Wat Hoog Catharijne volgens mij moet doen, is zich onderscheiden. Thematisch te werk gaan. Zich volledig toeleggen op kledingmode, ik noem maar iets. Wil je in Nederland de beste mode bij elkaar vinden? Dan moet je op Hoog Catharijne zijn. En zoiets bereik je niet met grootse plannen, waarbij het hele stationsgebied op de schop gaat, zoals nu gaat gebeuren. Je moet juist stap voor stap werken, winkel voor winkel.”

We moeten wel groots blijven denken.

„Als ik zeg: laten we van een stad als Utrecht of Amsterdam de allermooiste stad van de wereld maken, dan is dat ook groots denken. Alleen hoef je niet groots te bouwen. De Noord-Zuidlijn is ook een uiting van dat achterhaalde wederopbouwdenken. Die lijn moet Amsterdammers naar het stadshart brengen. Maar hoe vaak gaat een Amsterdammer nu naar de binnenstad om zijn boodschappen te doen? Die Noord-Zuidlijn is helemaal niet zo relevant.”

De Noord-Zuidlijn is ook bedoeld voor het woonwerkverkeer. Mensen kunnen straks twee keer zo snel van Amsterdam-Noord naar Amsterdam-Zuid komen.

„Er ligt gewoon een treinstation bij Zuid WTC. Dan kun je nu niet komen vanaf Amsterdam Centraal, maar dat is een kwestie van de NS-dienstregeling. Veel relevanter dan een Noord-Zuidlijn is een verbinding tussen Almere en Amsterdam. Amsterdam bestaat bij de gratie van het feit dat er betaalbare woningen in Almere zijn, en dat er heel veel mensen wonen die de economie van Amsterdam draaiende kunnen houden. Maar op die openbaar vervoerverbinding dreigt nu weer te worden beknibbeld in de uitbreidingsplannen van Almere. Typisch een voorbeeld van binnenstedelijk denken – dat zit echt heel diep in de Nederlandse genen. De samenhang van de urbane regio zien ze niet.”

Ook buiten de Randstad gaat het Grote Bouwen door?

As we speak is in Maastricht is de bouw stilgelegd van een universitaire campus met appartementen en kantoorunits. Heb je de tekeningen gezien? Hoe kan woningstichting Servatius, een semipubliek orgaan, zolang bezig zijn met een plan dat onhaalbaar is? Het is een fata morgana. We praten over een regio met een krimpende bevolking. Blijkbaar gelooft men, dat als men gaat bouwen, het vanzelf goed komt. Maar een gebouw vult zich uiteraard niet vanzelf. Ook een typisch geval van wederopbouwdenken: het maakt niet uit wat we bouwen, het komt toch wel vol.”

Die oorlog is nu bijna 65 jaar geleden. Hoe kan een land nog steeds, zoals u beweert, in de greep zijn van de wederopbouw?

De overheid en de private sector hebben samen na de oorlog het wederopbouwapparaat opgetuigd. Dat apparaat – ik noem het ’t Byzantijnse apparaat – was lange tijd succesvol. Dat succes maakt dat het besef maar langzaam doordringt, dat zo’n bouwmodus niet meer werkt.”

Nederland is te ambitieus.

„Nederland is dom ambitieus. Er vindt nu in Europa een strijd plaats tussen de steden. Die strijd gaat over de vraag: wie wordt de baas in Europa? Het zijn niet langer landen, maar stedelijke conglomeraten, die met elkaar wedijveren. Wie gaat het worden? Berlijn? Frankfurt? Londen? Parijs? Milaan? Nederlandse steden zijn te klein om die concurrentie aan te gaan. Dus is de vraag gerechtvaardigd wat wij de wereld te bieden hebben, om bedrijvigheid aan te trekken. En dan moeten we het toch hebben van de kwaliteit van onze steden. Als ik met buitenlanders praat, zeggen ze: Amsterdam is waanzinnig leuk. Utrecht ook. En wat vinden ze leuk? De kleinschaligheid, de kwaliteit van onze publieke ruimte, de pleinen, het gebruik van onze steden. Men zit niet te wachten op een nieuw New York. Maar juist op fijnmazigheid.”

Het kleine denken groots aanpakken?

„Precies. Door vandaag de straat op te gaan ruimen. Door bomen te planten. Betere steentjes in de straat. Stop een klein beetje geld in de kwaliteit van je publieke ruimte, dan kun je een enorme sprong voorwaarts maken. En door culturele voorzieningen een boost te geven. Door je geschiedenis, je culturele historie, een betere plek in de stad. In de culturele hoek valt winst te behalen. Niet met het nabouwen van New York.”

Toch lijkt het mij gezond dat de grote steden van Nederland de competitie met andere Europese landen niet bij voorbaat opgeven.

„Amsterdam, Rotterdam en Den Haag zijn hopeloos verloren in strijd met Parijs en Londen. Het zijn dorpen. Nederlandse steden moeten met elkaar afstemmen hoe ze zich ontwikkelen: Den Haag ontwikkelt zich zus, Amsterdam zo. Maar wat doen onze steden? Men probeert de bouwprogramma’s van elkaar weg te jatten. Stel: internetgigant Yahoo wil zijn hoofdgebouw in Nederland vestigen. Dan krijg ik morgen drie telefoontjes van drie burgemeesters, die zeggen: als je bij mij komt, krijg je de grond gratis. En de volgende zegt: bij mij krijg je er een dikke subsidie bij. Ze gaan met z’n drieën knokken. Niemand stelt de vraag: waar hoort zo’n bedrijf het meest thuis? Ik heb het meegemaakt met MTV, dat in Nederland onderdak zocht. Oorlog. Amsterdam, Hilversum, Rotterdam, Utrecht. Men is meer met elkaar bezig, dan met de externe strategie.”

Alles goed en wel, maar is uw boodschap van het Kleine Bouwen niet gewoon een afgeleide van de crisis, die de bouwsector in een wurggreep houdt?

„De crisis maakt nog eens extra duidelijk dat we aan het einde van de groei zijn aanbeland. Maar dat wisten we eigenlijk al in de jaren 90. Naast de financiële crisis is er een ook een programmacrisis: als je alle bouwplannen van alle gemeenten in Nederland bij elkaar optelt, heb je 30 miljoen Nederlanders nodig om de gebouwen te kunnen vullen. Daarnaast is er nog de crisis van het Byzantijnse apparaat. Die drie crises – je kunt het een perfect storm noemen – veranderen onherroepelijk hoe we denken, hoe we handelen, hoe we beslissen over de toekomst van Nederland. Die toekomst zal gaan over de kwaliteit van onze leefomgeving. Dat is het thema.”