De misdaadparadox

De criminaliteit in Nederland daalt al jaren. Toch voelt een meerderheid van de bevolking zich onveiliger dan tien jaar geleden. Hoe kan dat?

Stel, je woont in een grote stad en bent een jaar of 25. Je rekent er niet op maar je weet dat het een keer kan gebeuren. Je fiets wordt gestolen, er wordt ingebroken of je wordt op straat beroofd en zelfs bedreigd met een mes. Als het jou gebeurt, ben je geschokt over hoe erg het is. De impact is onverwacht groot en de klap ijlt lang na. Maar je bent niet verbaasd dát het is gebeurd.

Of, stel, je bent zestig en je woont in een boerderij op het platteland, de deur zit meestal niet op slot. Je kent iedereen in het dorp. En dán wordt er ingebroken. Je bent geschokt over de impact: iemand is in je huis geweest en heeft aan je spullen gezeten. Maar daarbij komt dat je verbaasd bent, dát het is gebeurd.

Naarmate er minder criminaliteit is in je omgeving, neemt de tolerantie voor wat er gebeurt, af. Zo verklaren criminologen de veiligheidsparadox. Die paradox, in 2002 in het boek De veiligheidsutopie omschreven door criminoloog Hans Boutellier, verklaart hoe het kan dat het volgens de cijfers al jaren veiliger wordt in Nederland, maar dat mensen zich niet veiliger voelen.

Actief optreden tegen souteneurs

Criminaliteit en veiligheid zijn geen statische begrippen. Ze veranderen en zijn onderhevig aan modes. In de jaren vijftig en zestig werd nog actief opgetreden tegen souteneurs en uitbaters van bordelen, sinds 2000 kun je in Nederland legaal een bordeel runnen.

Het omgekeerde geldt voor de verkoop van paddo’s. Tien jaar geleden werden overal in het land smartshops geopend die legaal hallucinogene paddenstoelen konden verkopen. Maar nadat minister Klink (Gezondheidszorg, CDA) in december 2008 het paddoverbod invoerde, is het verkopen ervan strafbaar. Ook de beleving van criminaliteit verandert. Veroorzaken scheldende hangjongeren overlast of bedreigen ze buurtbewoners?

Vrijwel dagelijks worden cijfers gepubliceerd over misdaad, gedetineerden en recidive. Maar er zijn maar enkele langlopende onderzoeken naar criminaliteit die iets zeggen over structurele ontwikkelingen. Misschien wel de belangrijkste is de slachtofferenquête. Sinds 1980 vraagt het Centraal Bureau voor de Statistiek mensen of zij het afgelopen jaar te maken hebben gekregen met criminaliteit.

De introductie van die enquête staat symbool voor een verandering in het denken over criminaliteit, zegt Bert Berghuis, raadadviseur bij het ministerie van Justitie. Hij verzamelt en analyseert al decennia criminaliteitscijfers. „Tot het midden van de jaren zeventig was er eigenlijk heel weinig aandacht voor slachtoffers van criminaliteit. De dader was altijd het uitgangspunt: die moest opgepakt, gestraft of behandeld worden. Het slachtoffer stond daar helemaal buiten.” Nu hebben slachtoffers spreekrecht in de rechtszaal.

Maar de introductie van de slachtofferenquête markeert niet alleen een kentering in het denken over criminaliteit. Bijna dertig jaar na de introductie zijn deze gegevens een belangrijk uitgangspunt voor beleidsmakers en wetenschappers. De politie baseert er deels haar prioriteiten op, en voor wetenschappers zijn deze cijfers vaak het beginpunt van onderzoek.

Minder mensen zeggen slachtoffer te zijn

Toeval of niet, het jaar na de moord op Pim Fortuyn in 2002 beginnen de criminaliteitscijfers in Nederland te dalen (zie grafiek 1) Steeds minder mensen zeggen tegen de enquêteurs van het CBS dat ze slachtoffer zijn geweest van lichte of zware criminaliteit. De lijn die is gebaseerd op de antwoorden is inmiddels zelfs gedaald tot ver onder het niveau van 1980, toen men voor het eerst aan grote groepen mensen deze vraag stelde.

Toch ervaart de gemiddelde Nederlander dat niet zo. Als je aan mensen vraagt of het in Nederland veiliger is dan tien jaar geleden, blijkt dat een meerderheid van de Nederlandse bevolking denkt dat het land onveiliger is geworden (zie grafiek 2). Dat cijfer is weliswaar ook gedaald en ligt nu op het laagste niveau sinds 1991, maar nog altijd denkt meer dan de helft van de Nederlanders dat het hier onveiliger wordt.

Op het eerste gezicht bevestigen ook de politiecijfers (de aantallen aangiftes) het beeld dat de criminaliteit sinds een piek in 2002 daalt. Dat kan een indirect gevolg zijn van de moord op Pim Fortuyn, zegt onderzoeker Roel Jennissen van het WODC, het onderzoekscentrum van het ministerie van Justitie. Na de parlementsverkiezingen van 2002 kwam er veel aandacht voor blauw op straat, op managers bij de politie werd gekort, in een stad als Rotterdam werd veiligheid topprioriteit.

Maar bij alle cijfers die wijzen op een afname van criminaliteit, zijn kanttekeningen te maken. Zo schieten slachtofferenquêtes op een belangrijk punt tekort: allochtonen en jongeren doen er minder vaak aan mee. Onderrapportage noemen criminologen dat.

Mensen denken: aangifte heeft geen zin

Een groot deel van de criminaliteit komt in geen enkele statistiek terecht. Omdat mensen denken dat het geen zin heeft aangifte te doen. Of omdat de criminaliteit door niemand anders dan andere criminelen wordt opgemerkt. Criminelen die elkaar onderling belazeren, doen geen aangifte.

Maar ook de gegevens die er wel zijn, zijn niet altijd makkelijk te interpreteren, vertelt bijzonder hoogleraar jeugdrechtspleging van de Universiteit Utrecht, Ido Weijers. Hij doet onderzoek naar jeugdige veelplegers in Utrecht. „De verdeling van geweld in categorieën is subjectief. Waar ligt de grens tussen een klap geven en mishandelen? Dat is voor iedereen anders en speelt dus een rol bij de interpretatie van informatie uit slachtofferenquêtes.”

Een goed voorbeeld van dit probleem is de categorie ‘huiselijk geweld’. Dat wordt door slachtoffers vaak niet als criminaliteit herkend. Bij criminaliteit denken de geënquêteerden aan boeven, oplichters en verkrachters. Niet aan hun eigen man of vader die soms agressief is en waarvoor ze een keer de politie hebben gebeld. De ‘thuisklap’ wordt minder vaak gemeld dan hij wordt ontvangen. Maar in de ‘oploscijfers’ van politie en justitie komt huiselijk geweld de laatste jaren juist heel vaak voor omdat het bestrijden ervan sinds 2003 prioriteit is bij politie en justitie. „Politiecijfers zeggen vooral iets over de activiteit van de politie”, zegt Weijers. „Ze laten zien wat de politie doet. Slachtofferenquêtes geven een betrouwbaarder beeld van de werkelijke criminaliteit.”

Angst voor agressie en geweld

Uit alle cijfers komt één ding helder naar voren. De gevoelens van onveiligheid worden vooral veroorzaakt door jongeren en geweld op straat. Uit onderzoek van TNS NIPO uit 2008 blijkt bijvoorbeeld dat agressie, zinloos geweld en jeugd en hangjongeren het meest worden genoemd als redenen voor het toegenomen gevoel van onveiligheid (zie grafiek 3).

Die gevoelens zijn niet irreëel en hebben zeker niet alleen te maken met afgenomen tolerantie. Als je wat preciezer kijkt naar de aangiftes bij de politie, zegt Roel Jennissen van het WODC, blijkt dat de algehele daling van criminaliteit vooral komt door de afname van het aantal inbraken en diefstallen (vermogensdelicten) (zie grafiek 4). Daarvoor zijn drie logische verklaringen: auto’s en woningen zijn steeds beter beveiligd – mensen nemen autoradio en TomTom mee de auto uit, het aantal heroïneverslaafden is gedaald en, meer recentelijk, veelplegers worden strenger gestraft.

Maar tegenover het dalend aantal diefstallen en inbraken staat een stijgend aantal meldingen van geweld (zie grafiek 5). En juist het gebruik van geweld schokt de samenleving en geeft burgers een onveilig gevoel. Overigens is de stijging van gewelddadige incidenten niet zo sterk als die lijkt. Een deel wordt verklaard door de strenge aanpak van huiselijk geweld sinds 2003.

Wat ook opvalt is dat de jeugdcriminaliteit de afgelopen jaren – tegen de trend in – stijgt. Ook die vorm van criminaliteit geeft relatief veel zichtbare overlast voor de samenleving. Uitgaansgeweld en straatcriminaliteit hebben een grotere impact dan op het oog slachtofferloze delicten als drugssmokkel of financiële fraude.

Kunnen die twee ontwikkelingen verklaren waarom een meerderheid van de Nederlanders denkt dat Nederland minder veilig is dan tien jaar geleden?

Het is een bekend gegeven dat jongeren de belangrijkste daders én slachtoffers zijn van criminaliteit. Crimineel gedrag begint vaak in in de puberteit en bereikt een piek als de jongeren tussen de 18 en 20 jaar zijn. Om dit in beeld te brengen gebruiken criminologen hiervoor de age-crime curve. In zo’n grafiek is te zien op welke leeftijd de meeste mensen uit een bepaalde groep crimineel actief zijn (zie grafiek 6).

Jongeren doen graag stoer

Maar stijgt de jeugdcriminaliteit wel echt zoals de politiecijfers suggereren? Er is langlopend onderzoek waaruit blijkt dat jongeren níét crimineler zijn dan twee decennia geleden. Op initiatief van criminoloog Josine Junger Tas vraagt het WODC sinds 1986 aan jongeren of zij zich schuldig hebben gemaakt aan overtredingen of criminaliteit zoals zwartrijden, diefstal of iemand verwonden.

Uit die rapportages blijkt volgens criminoloog André van der Laan van het WODC dat crimineel gedrag onder jongeren redelijk stabiel op een hoog niveau ligt. „Gemiddeld zegt bijna 40 procent van de jongeren betrokken te zijn geweest bij één of meerdere vormen van criminaliteit.” (zie grafiek 7) Maar, zegt Van der Laan, daarbij moet je in je achterhoofd houden dat jongeren graag stoer doen. „We gaan ervan uit dat vooral lichtere vergrijpen worden overdreven.” Tegelijk, zegt Van der Laan, zullen jongeren zwaardere vergrijpen eerder verzwijgen.

Wat is waar? Blijft de criminaliteit onder jongeren stabiel, zoals het WODC van jongeren zelf hoort, of duidt het toegenomen aantal aangiften tegen jongeren toch op een steeds crimineler wordende jeugd?

De stijging van het aantal jongeren dat als verdachte wordt aangemerkt, kan voortkomen uit meer aandacht van de politie, zegt Van der Laan. Ook de normen over wat aanvaardbaar gedrag is en wat niet, veranderen. Wetenschappers spreken in dit verband wel over het criminaliseren van kattenkwaad. „Dat zien we terug in de cijfers over jeugdcriminaliteit.”

Dat beeld wordt bevestigd door hoogleraar Ido Weijers. Hij vindt dat harder wordt opgetreden tegen kleinere vergrijpen, bijvoorbeeld in het onderwijs. „Steeds meer scholen bewaken niet meer zelf de orde, maar spreken af met de politie dat die snel komt als er ruzie is. Dat betekent dus dat het schoolplein tot openbare ruimte wordt gebombardeerd en dat een vechtpartij met een bloedneus al heel snel als ‘openlijke geweldpleging’ de statistieken ingaat.”

Incidenten die vroeger werden afgedaan met een gesprek (al dan niet in aanwezigheid van de ouders) kunnen nu strafzaken worden. Het aantal ‘flutzaken’, zo rapporteren parketsecretarissen van het Openbaar Ministerie aan Weijers, is daardoor enorm toegenomen. „Het gevolg is dat jonge kinderen een strafblad krijgen voor dingen die niet of nauwelijks als criminaliteit kunnen worden gekwalificeerd.”

Relatief normaal gedrag van jongeren wordt ‘gecriminaliseerd’, vindt Weijers. Gevoelens van onveiligheid worden niet alleen veroorzaakt doordat vaker geweld wordt gebruikt en jongeren crimineler zijn. Er wordt ook minder getolereerd: de politie wordt sneller ingeschakeld. En dat is in lijn met de paradox van Boutellier. <