'De hele vakantie lekker gebaren'

Erik Bloem (1963) groeide op in een gezin van doven. ‘We waren een vrolijk gezin. Het was top.’

‘Mijn ouders zijn verliefd op elkaar geworden in Parijs. Ze waren op excursie met de dovenvereniging. Mijn moeder kwam uit Den Haag, mijn vader uit Terschelling. Zijn ouders waren ook doof, en mijn moeder had een dove broer. In hun families was doofheid dus oké. Mijn ouders hebben vier kinderen gekregen, en we zijn alle vier doof. Wel bijzonder, toch?

„Ons huis was niet zo groot. In de voorkamer had mijn vader zijn schoenmakerszaak. Daarnaast waren twee slaapkamers, eentje voor mij en mijn broers en eentje voor mijn zus. Mijn ouders sliepen in de woonkamer. Toen mijn vader zijn winkel sloot, kwam er meer ruimte. Hij verdiende niet genoeg meer. Schoenen werden van steeds betere kwaliteit, en mensen gooiden ze sneller weg. Mijn vader vond een baan als fijnmetaalbewerker.

„Thuis was het veilig. We gingen allemaal naar Effatha, de dovenschool, en na school gingen we meteen naar huis. Dan kregen we limonade met een koekje, en daarna gingen we buiten spelen. Mijn broer Arjen en ik hielden van klussen. We hebben een keer een houten politiekar gebouwd. Pas bij het avondeten kwamen we weer binnen. Mijn moeder kookte lekker, ze probeerde van alles uit: jachtschotel, chili con carne met appelmoes. Aan tafel gebaarde iedereen naar elkaar. We waren een vrolijk gezin. Het was top.

„Mijn broer Tony had ook horende vrienden, en die nam hij soms mee naar huis. Mijn vader vond dat niet prettig. Hij hield de horende wereld liever op afstand. Zelf was hij opgegroeid in een internaat. Mijn moeder was meer open. Zij is avontuurlijker ingesteld.

„In de zomer gingen we elk jaar naar het vakantiehuisje van opa en oma Bloem op Terschelling. Het lag naast het strand. Mijn opa was een jutter, hij verzamelde hout voor ons om mee te bouwen. Ik ben één keer naar Joegoslavië op vakantie geweest. Een vriendje uit de klas vroeg me mee, en mijn ouders vonden het goed. Dat vriendje had een horende zus, dus voor hem was het fijn dat ik mee was. Konden we de hele vakantie lekker met elkaar gebaren.

„Ik was een flink kind. Huilen deed ik niet – ja, als mijn speelgoed werd afgepakt of zo, maar ik herinner me geen echt verdriet. Toen ik op mijn eenentwintigste op kamers ging wonen, had ik daar ook geen moeite mee. Ik had op school leren koken, en ik werkte al drie jaar als timmerman. De beroepsmogelijkheden voor doven waren toen veel beperkter. Je kon timmerman worden, of meubelmaker, of metaalbewerker: allemaal handenwerk. Nu kun je met behulp van een tolk welke opleiding dan ook volgen, en dankzij internet zijn er meer communicatiemogelijkheden. Voor mij was het niet erg, ik ben een echte handwerker. Ik zie alles. Mijn naamgebaar is [houdt een hand naast zijn gezicht en klapt hem open en dicht als een vogelbek, SHvV]: iemand die elk detail ziet. Maar na tien jaar was ik toe aan iets anders. Ik ben architectuur vormgeving gaan doen aan de kunstacademie, en nu heb ik met mijn neef een ontwerpbureau.

„Mijn vrouw heb ik ontmoet op het dovenclubhuis. Haar ouders zijn niet doof; ze is pas na haar geboorte doof geworden, waarschijnlijk door een ziekte. Toen we aan kinderen begonnen, wisten we niet of ze doof of horend zouden zijn. Het maakte ons niet uit. We kregen drie horende dochters. We praten in gebarentaal tegen ze, en zo pikken ze het vanzelf op.

„Soms vind ik het moeilijk dat ik mijn kinderen niet altijd meer kan volgen. Dan zitten ze aan tafel te kletsen over K3 of over fantasietjes – dat gaat zo snel, ik hou het niet meer bij. Het liefst zou ik alles weten. Ik moet dat een beetje loslaten.”

Een hoog, houten dressoir, een lange houten eettafel. Twee van de drie blonde meisjes komen samen een koekje aanbieden. Hij gebaart intussen verder; de tolk vertaalt. Als de deurbel gaat, flikkert er een lamp.

Heeft u ook een interessante familiefoto? Mail naar weekblad@nrc.nl