Chinese droom is Amerika's nachtmerrie

De Amerikaanse president Barack Obama begint maandag aan een driedaags bezoek aan China. De Amerikanen hebben het moeilijk met dat land. „Men is bang geworden voor China, de toon neigt soms naar het hysterische.”

De directie van John Eaton Elementary in welvarend noordoost-Washington bracht het grote nieuws twee jaar geleden iets te enthousiast.

Er was een lerares Chinees aangetrokken, ronkte het mededelingenblad, die aan alle leerlingen vanaf groep 6 (negen jaar en ouder) minimaal twee keer per week Chinese les ging geven.

Kort hierna moest de directie zich verantwoorden. Protestbrieven gingen rond, een vergadering werd belegd. De ouders – hoogleraren, topambtenaren, journalisten – wilden weten waarom de groepen 1 tot en met 5 niet meeprofiteerden van de nieuwe leerkracht.

Kinderen kunnen niet vroeg genoeg met Chinees beginnen, zeiden ze. De directie capituleerde snel. Sinds dit schooljaar hebben alle kinderen – van vier tot twaalf jaar – minimaal een keer per week Chinees. Op de wc-deuren staat nu in Engelse en Chinese tekens of het een jongens- dan wel meisjestoilet is.

Op verjaardagen wordt Happy Birthday de ene dag in het Engels gezongen, de andere in het Chinees (‘Zhùni sheng rì kuài lè’). En als vijf- en zesjarigen hun Chinese juf, Miss Kong, op de gang tegenkomen, groeten ze haar in het Chinees (‘Ni hao’) alsof ze nooit anders hebben gedaan.

Elfduizend kilometer naar het westen, in Shanghai, waar president Obama morgenavond aankomt na bezoeken aan Japan en Singapore, werd op de Tweede Huaihai Lu-school tien jaar geleden Engelse les ingevoerd. „Worldschool” staat er ten overvloede op de naamplaat van het gebouw.

„Engels is verplicht voor wie wil studeren in de VS of wat wil bereiken in een van de grote Chinese bedrijven”, weet grootvader Ding (61), een voormalige topambtenaar, die elke dag op de fiets zijn kleindochter aflevert bij het hek. Uit een van de klaslokalen waait een opgewekt ‘good morning, children’, gevolgd door het antwoord ‘good morning, miss Zhang’. Alsof zij ook nooit anders gedaan hebben.

Op deze en vele andere Amerikaanse en Chinese scholen is zichtbaar hoe nauw China en Amerika met elkaar vervlochten zijn geraakt. Amerikanen hebben de reputatie in staat te zijn zich steeds weer opnieuw uit te vinden. Maar de Chinezen kunnen dat ook, en heel snel zelfs, hoewel Obama en Hu, die elkaar maandag en dinsdag treffen, niet verder zullen komen dan ‘Ni hao’ en ‘How are you’.

Zhu Ning (43), bankier van beroep, is een verklaarde New York Knicks-fan sinds hij twintig jaar geleden in de VS ging studeren. „Wat Amerikanen niet weten en Chinezen ook niet is dat wij veel met elkaar gemeen hebben. We horen allen over de problemen en de handelsfricties en natuurlijk zijn er grote culturele en politieke verschillen. Maar de overeenkomsten zijn opmerkelijk. De Amerikaanse droom bijvoorbeeld – van je leven een succes maken ook al ben je van arme en nederige komaf – spreekt veel Chinezen aan, net als de Amerikaanse populaire cultuur. Er is zoiets als een Chinese Droom ontstaan. Dat was totaal nieuw voor mij’’, vertelt dr. Zhu Ning (43) die vorige zomer terugkeerde naar China, vanwege de „onbeperkte carrièremogelijkheden”.

Hij voelt zich Chinees en Amerikaan en doorspekt zijn betoog met „ooh boys” en „awwrrights” en Shanghaise uitdrukkingen. Na zijn studie op de George Washington University werkte hij bij de Wereldbank en de bank HSBC in directiefuncties en zag het moederland groeien. Tegelijkertijd volgde hij met stijgende verbazing hoe in de VS het Chinadebat veranderde van inhoud en toon. „Men is bang geworden voor China, de toon neigt soms naar het hysterische. Men ziet ons als een bedreiging, als een nieuwe supermacht. Vanuit Chinees perspectief is dat onbegrijpelijke onzin”, zegt Zhu Ning, nu directeur van Standard Chartered Bank in het financiële district van Shanghai. „Dit is nog lang geen New York”.

Op Amerikaanse scholen, in directiekamers, in het Washingtonse machtscentrum is de aandacht voor het Chinese wonder, het Chinese gevaar, overvloedig. Amerikanen willen, zo kan uit het debat met een doemdenkerige boventoon worden geconcludeerd, de boot niet missen. Zij willen aan China blijven verdienen en willen de baas blijven, want de Amerikaanse wereldhegemonie zou in gevaar zijn. Het zou slechts een kwestie van tijd zijn dat „China rules the world”, zoals op een uitnodiging van een denkfabriek stond geschreven.

„Alsof wij in staat zijn de VS te evenaren als wereldmacht”, grijnst Zhu Ning ironisch. „Kijk naar de omvang van de Amerikaanse en Chinese economieën, die van de VS is drie keer zo groot. Kijk naar de diepte van de Amerikaanse kapitaalmarkten. Zover zijn wij nog lang niet. Kijk naar de omvang van de strijdkrachten, wij hebben niet eens een vliegdekschip. We zijn grootafnemer van olie en ijzererts, maar kunnen niet eens de prijzen bepalen.”

Zhu, die in grijs krijtstreep en gele powertie oogt als de typische Wall Street-bankier: „Als je in de VS van kust naar kust rijdt zie je overal min of meer vergelijkbare welvaart. Rij vanaf Shanghai 250 kilometer naar het westen en je bent in een gebied waar de mensen leven van minder dan een dollar per dag, je rijdt dan van de 21-ste eeuw terug naar de middeleeuwen.”

Tim Adams, die onderminister van Financiën onder George W. Bush was, kan zich wel vinden in deze nuchtere benadering. „Twintig jaar geleden spraken we in dit land op een zelfde manier over Japan”, zegt Adams. Destijds waren het vooral Japanse overnames in de VS, in combinatie met spectaculaire economische groei in Japan, die aanleiding waren voor sombere bespiegelingen in de VS. Er is niets van uitgekomen en dat zou een les moeten zijn, meent Adams. „Zeggen dat China ons over twintig jaar voorbij is gestreefd is niet gestoeld op enig reëel inzicht.’’

Dat neemt niet weg, erkent Adams, dat het bar slecht gaat met de Amerikaanse economie en uitstekend met de Chinese. China heeft de economische crisis goed doorstaan en Chinese bedrijven (banken, energiemaatschappijen, automakers) kunnen met hun grote thuismarkten op wereldschaal concurrenten van de Amerikaanse multinationals worden.

China is Amerika’s belangrijkste bankier geworden. De Amerikaanse schuldenberg is gegroeid tot 1.400 miljard dollar. China financiert die schuld door te blijven investeren in Amerikaans schatkistpapier. De laatste stand was 800 miljard dollar. Daarnaast heeft China voor 2.300 miljard dollar aan buitenlandse deviezen opgebouwd. Deze feiten spelen in op de grootste Amerikaanse angst van dit moment, namelijk dat de VS bezig zijn hun nieuwe concurrent in het zadel te helpen – en zichzelf in de afgrond te storten. De Chinese droom is in Amerikaanse ogen, althans van vakbonden en arbeiders, een nachtmerrie.

„In de VS wordt over het hoofd gezien dat China er geen enkel belang bij heeft dat de crisis in de VS voortduurt. Hoe groter de verwevenheid, hoe groter het Chinese belang dat de Amerikaanse economie zich herstelt en de financiën op orde worden gebracht”, zegt dr. Pan Rui, directeur van het Amerika-China Instituut van de Fudan Universiteit in Shanghai. Ook Pan werkte vele jaren in de VS, eerst op de Universiteit van Maryland en daarna als gastprofessor op Harvard. Om een term uit de financiële sector te parafraseren: voor China is de VS als een bank die te groot is om te laten ondergaan.

De Chinees-Amerikaanse verwevenheid in combinatie met de groei van de Chinese economie en aanwezigheid van dat land in Afrika, Latijns-Amerika en het Midden-Oosten leidt niet noodzakelijkerwijs tot een machtsverschuiving van west naar oost, maar tot een machtsdeling tussen de VS en China.

Pan Rui: „Ik zie veranderingen in patronen. Vroeger was de VS sterk en China zwak. Nu is de VS nog steeds zeer sterk en zal dominant blijven en tegelijkertijd wordt China krachtiger. De verhoudingen komen langzamerhand een beetje in balans. China komt nu voor het eerst in de positie van onmisbare partij. Er is geen economisch of politiek wereldprobleem meer, dat zonder ons kan worden opgelost. Obama, die met zijn hoofd in Afghanistan en bij het zorgdebat is, zal geen hoofdpunten maken van mensenrechten, Tibet en Taiwan, omdat hij daar simpelweg net als zijn Republikeinse voorganger het nut niet van inziet.”

„Van alle beginnende Amerikaanse presidenten”, vervolgt Pan Rui, „doet Obama het in Chinese ogen in dat opzicht heel goed, beter dan Clinton en Bush in hun eerste jaren”. Hij meent in Obama zelfs een „Kissinger-achtige realist’’ te ontwaren.

Voor de VS blijft het op het centrale punt in de omgang met China niettemin tobben. Hoe om te gaan met een aanstormende economische macht die qua continentale omvang en wereldwijde reikwijdte een totaal nieuw fenomeen vormt? Een steeds zelfbewuster China bovendien dat eigenlijk geen internationale speler wil zijn. De naar binnen gerichte eeuwenoude cultuur, het zelfbeeld van ontwikkelingsland en de permanente overlevingsstrijd van de Chinese Communistische Partij (CCP) maken van China een onzekere, aarzelende partner.

De vrees dat een grotere internationale rol samen met economische groei en markthervormingen toch zullen leiden tot politieke liberalisering speelt altijd een grote rol in de CCP, zeker in een periode dat de ondergang van het communisme in Europa wordt herdacht.

China overtuigen van de noodzaak medeverantwoordelijkheid te nemen in sleutelkwesties op het gebied van veiligheid, milieu en economie, is daarom in Obama’s eigen woorden zijn belangrijkste opdracht in Shanghai en Peking.

Alleen al met die uitspraak bracht hij de machtsdeling tussen west en oost of beter nog machtsverschuiving onder woorden. Openhartig constateerde Obama’s naaste adviseur, Jeffrey Brader van de Nationale Veiligheidsraad: „Daar is zeker sprake van en dat maakt een partnerschap noodzakelijk. Maar we houden principiële verschillen van mening en blijven ook elkaars concurrenten.”