Alphen jaagt wél op bouwfraudeurs

De bouwoffertes voor een nieuw stadhuis vielen heel hoog uit in 2000. Alphen aan den Rijn is nu de enige gemeente die strijdt tegen de bouwfraude en gaat een miljoenenclaim indienen.

Ze wanen zich het Gallische dorpje in het Romeinse rijk van Asterix en Obelix: eenzaam strijden tegen bouwfraude, terwijl andere gemeenten de bijl allang hebben begraven. Zeven jaar na de parlementaire enquête naar prijsafspraken en kartelvorming in de bouwsector achtervolgt de gemeente Alphen aan den Rijn zes bouwbedrijven met schadeclaims voor hun aandeel in de fraude bij de aanbesteding van het nieuwe stadhuis in 2000.

De 68 andere gedupeerde gemeenten die voorkwamen in de schaduwboekhoudingen van sjoemelende bouwbedrijven, hebben dat fraudeboek allang gesloten. Zij namen in 2005 genoegen met een collectieve afkoopsom van 16 miljoen euro, zonder inzicht in de daadwerkelijk geleden schade die ze leden door illegale kartelvorming, prijsafspraken en vooroverleg. Alphen aan den Rijn deed daar niet aan mee en begon juridische procedures. Inzet: de volledige terugbetaling van het schadebedrag. Enkele bronnen schatten dat op zes miljoen euro.

Die vasthoudendheid lijkt succesvol. De gemeente zegt de bewijzen van vooroverleg en prijsafspraken bij de bouw van het stadhuis in handen te hebben. Omdat functionarissen van de betrokken bouwbedrijven die praktijken vorig jaar volgens de gemeente hebben toegegeven. Dat gebeurde tijdens getuigenverhoren onder ede in een procedure voor de Raad van Arbitrage voor de Bouw.

„Terwijl ze daarvoor volhielden dat er niets aan de hand was geweest”, aldus verantwoordelijk wethouder Stan Lyczak (VVD).

De bouwbedrijven hebben volgens Lyczak ook nog geen spijt betuigd, voor hem een belangrijke motivatie om de bouwers aan te pakken. „Iedereen in die branche doet nog steeds alsof het volkomen normaal was. Veel functionarissen die indertijd een greep in onze kas hebben gedaan, zitten nog steeds op hoge functies bij diezelfde bouwbedrijven. Ze maken zich alleen druk over de vraag hoe de toekomstige schade onderling verdeeld moet worden.”

Vermoedens van fraude waren er in 2000 al. De gemeente had de kosten van het stadhuis geraamd op zo’n 40 miljoen gulden. Maar na de aanbesteding bleek de laagste inschrijving meer dan 30 procent hoger. Die kwam van HBG, een dochteronderneming van de Koninklijke BAM-groep. De kosten verschilden nauwelijks met die van de vijf andere, ‘concurrerende’ bouwbedrijven. Van daadwerkelijke concurrentie was dus eigenlijk geen sprake geweest, concludeerde de gemeente toen.

Maar in 2000 was bouwfraude bij aanbestedingen een onbekend fenomeen. Het ministerie van Economische Zaken propageerde het openbaar aanbesteden zelfs als kostenbesparend. Tot 15 procent goedkoper zouden de bouwkosten worden, zo zou de praktijk in Amsterdam, Rotterdam en Utrecht hebben uitgewezen. Alphen kreeg dan ook geen gehoor toen het in mei 2000 de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) informeerde over vermoedens van malversaties. En dat de gepropageerde aanbestedingspraktijk helemaal geen echte prijsconcurrentie tot gevolg had, laat staan dat er miljoenen mee verdiend konden worden.

De gemeente kreeg pas in 2005 concrete aanwijzingen van bouwfraude in handen, toen via een klokkenluider een schaduwboekhouding van Boele & Van Eesteren opdook, waarin Alphen en de aanbestedingspraktijk rond het stadhuis concreet werden genoemd. Maar aangiftes bij de NMa en het Openbaar Ministerie leverden niets op. Justitie achtte zich niet bevoegd omdat het om economische mededingingsdelicten ging en verwees daarom naar de NMa. Die liet op haar beurt weten dat de Alphense zaak benut zou worden voor intern gebruik, „om het inzicht in de structuur van de bouwsector te vergroten en patronen van gedragingen in kaart te brengen”, zei de NMa.

In de procedure bij de Raad van Arbitrage kwamen de vermoedens van bouwfraude én de authenticiteit van de schaduwboekhouding vorig jaar aan het licht tijdens getuigenverhoren onder ede. Zolang de raad geen definitieve uitspraak heeft gedaan, wil Alphen geen inzage geven in de getuigenverhoren zelf. „Maar in die verhoren zijn het vooroverleg en de prijsafspraken toegegeven. En is ook bevestigd dat die schaduwboekhouding authentiek is. Daar hebben we nu zekerheid over. En we weten ook de omvang van de daadwerkelijk door ons geleden schade.”

De voordurende ontkenningen, zelfs ná die getuigenverhoren, zijn volgens Lyczak het bewijs dat de bouwbedrijven niets van het verleden hebben geleerd. „Daarom wordt onderzocht of ze kunnen worden uitgesloten van toekomstige bouwprojecten in de stad.”

En er staat een aantal miljoenenprojecten op stapel. Een cultuurhuis, meerdere parkeergarages en een groot aantal woningen. Projecten waar ook woningcorporaties bij betrokken zijn. „Ik ga ervan uit dat die ons beleid van uitsluiting wel zullen volgen. We zoeken uit hoe we die uitsluiting juridisch vorm kunnen geven, na de uitspraak van de arbitrageraad. Want het kan niet zo zijn dat we zaken doen met bouwbedrijven die met hun vingers in onze overheidskas hebben gezeten.”

HBG was desgevraagd niet bereid om commentaar te geven over zijn rol bij de aanbestedingsprocedure.