Zes Peters, en 1 Iwan

In een tweewekelijkse serie over boeken die bijna onopgemerkt bleven, verstripte gedichten van J.J. Slauerhoff

Waar is poëzie van gemaakt? In mijn voorstelling toch altijd nog van niets, lucht, klanken gevormd door een mond – van woorden. Woorden die in rechthoekvormige blokjes onder elkaar staan, of in rare sliertjes, met veel wit eromheen. Als je ze leest stijgt er iets op in je hoofd, zoals rook; er vormt zich even een mooie figuur, en die waait dan weer weg. In die vluchtige gedaante moet ik ze al heel erg lang kennen, de zes broers van Iwan, uit het gedicht ‘De schalmei’ van J.J. Slauerhoff. ‘Zeven zonen had moeder: / allen heetten Peter, / behalve Wanjka die Iwan heette.’

Ik heb me nooit afgevraagd hoe ze eruit zagen, maar nu zie ik ze opeens voor me, alle zes Peters op een rij, als een serie pasfotootjes. Ze zijn getekend door Udo Prinsen, een van de tien striptekenaars die ieder één gedicht van Slauerhoff omwerkten tot een strip, opgenomen in Verbeelde gedichten. Prinsen stelt de zes Peters voor als zes dommekrachten die, zoals het gedicht ook zegt, alleen maar konden werken. ‘Allen konden werken: één was geitenhoeder, / één vlocht sandalen, / één zelfs bouwde kerken; / maar Iwan die Wanjka heette / wilde niet werken.’ Iwan wilde maar één ding: ‘Op een steen in de zon gezeten / bespeelde hij zijn schalmei.’

Iwan ziet er heel anders uit dan zijn geblokte broers. Iwan heeft een aardappelhoofd, met een wat wereldvreemde uitstraling. In het gedicht van Slauerhoff blijft het bij deze tegenstelling: tegenover de harde werkers staat de onbegrepen bard die de hele dag maar zit te spelen. Maar voor een strip is zo’n statisch gegeven niet genoeg. Er moet ook iets gebeuren, het liefst iets grappigs. Prinsen voorziet onze Wanjka die Iwan heette van een wel heel erg lange, om niet te zeggen schalmeilange neus, waarmee hij ook muziek kan maken: een soort aangeboren neusfluit. Daarmee wordt hij door zijn hardwerkende broers de wereld ingezonden. Met succes.

Het speelt zich allemaal op drie pagina’s af, in een werveling van in elkaar overlopende stripbeelden, waardoor het moeilijk is het verhaal in een keer te snappen. Je wordt gedwongen tot herkijken, stilstaan bij details en opnieuw interpreteren – net als bij poëzie lezen. Natuurlijk gaat er bij zo’n bewerking iets verloren, maar er is ook winst. Wist u dat alle Peters en Wanjka (die Iwan heette) en hun moeder allemaal op dezelfde sandalen liepen? Die zijn vast gemaakt door Peter de sandalenvlechter. Ik had het me bij het lezen van het gedicht nog nooit afgevraagd, maar ik weet het nu wel. Zo is het met al deze tien, onderling sterk verschillende stripbewerkingen. Ze voegen iets toe. De gedichten worden er niet beter van – wel anders, en nieuwer. Flos Vingerhoets laat een Latijns-Amerikaans gedicht in een Amsterdams decor spelen – waarom niet? In een van de Chinese gedichten zie ik in de strip de reclametotempaal van McDonald’s verschijnen – daardoor wordt het meteen actueler.

Eerder verschenen in deze reeks verstripte gedichten van Victor Hugo en Charles Baudelaire. Nu de sprong naar het Nederlands en de 20ste eeuw is gemaakt, is alles mogelijk. Dan moet Faverey maar de volgende dichter zijn. ‘Ik hoor hoe het wiel stil valt; / want er is / geen wiel.’ En daar dan een plaatje van.

J.J. Slauerhoff: Verbeelde gedichten. Atlas, 72 blz. € 18,50.