Wat een weelde, zoveel topstukken bijeen in twee musea

Halverwege de tentoonstelling Cézanne – Picasso – Mondriaan, in zaal nummer 11 van het Haags Gemeentemuseum, realiseer ik me opeens: eigenlijk is dit al genoeg. Deze ene zaal, met het thema ‘landschap’, is al een geweldige expositie op zich. Rechts hangen vier van Mondriaans boomschilderijen – waarvan één onbekende uit particulier bezit – die prachtig laten zien hoe de schilder in korte tijd zijn zwierige figuratieve lijnen verruilde voor rechttoe-rechtaanabstractie. Links prijkt een drietal vergezichten van Cézanne, die met zijn hoekige kwaststreken de weg bereidde voor alle schilders na hem. Wat een schitterende confrontatie: rechts het koele, grijze Hollandse licht van Mondriaan, links de warme Zuid-Franse zon van Cézanne. Een groter verschil lijkt haast niet denkbaar. En toch zie je, voel je, hoe gelijkgestemd deze twee schilders waren.

Maar de tentoonstelling gaat verder na dat ene fijne zaaltje. We krijgen nog veel meer Cézannes te zien, waaronder zijn beroemde Baadsters uit 1890. Picasso wordt geïntroduceerd, met zijn kinderlijke stillevens en zijn onflatteuze vrouwenkoppen. Er zijn goed gekozen bruiklenen uit vooraanstaande musea als het Guggenheim, het Metropolitan en het Centre Pompidou, die mooi worden aangevuld door de rijke collectie Mondriaans die het Haags Gemeentemuseum zelf in bezit heeft. Slimme thematische combinaties nodigen steeds weer uit tot goed kijken en vergelijken. Voortdurend betrap ik mezelf op de gedachte: wat een ongelofelijke weelde, om dit in een Nederlands museum bij elkaar te zien.

Aandoenlijk is het om te zien hoe Picasso in 1909 voorzichtig een hoekig groen appeltje aquarelleert. Vijf jaar eerder had Cézanne in de tekening Provençaals landschap (1904-1905) al bijna volledige abstractie bereikt. Hij liet het wit van het papier het voornaamste werk doen, en voegde daar enkel nog wat vegen groen en violet voor de rotsen en een streepje zwart voor een dakrand aan toe. Mondriaans schets van een boompje uit 1913, niet meer dan een paar zigzaggende lijntjes, voelt dan weer een beetje als mosterd na de maaltijd.

Wie wil weten hoe het verder ging met Mondriaan en zijn tot de essentie gestripte stijl, kan twintig kilometer verderop terecht in De Lakenhal in Leiden. Daar is een tentoonstelling gewijd aan Theo van Doesburg en zijn tijdgenoten, een expositie die al even ambitieus van opzet is en met een groot aantal internationale bruiklenen net zo rijk aan topstukken. Zó rijk zelfs dat het museum met ruimtegebrek lijkt te kampen en de Mondriaans, de Schwitters en de Van Doesburgs wel heel dicht op elkaar heeft gehangen. De gewaagde inrichting, met tussenwanden in de Stijl-kleuren rood-geel-blauw, die soms dwars door deuropeningen snijden en de toch al krappe zalen alleen nog maar smaller maken, helpt wat dat betreft niet mee.

Maar de sfeer in de kunstscene van een kleine eeuw geleden wordt in De Lakenhal, dankzij de vele foto’s, brieven, schetsen, meubels, affiches en maquettes, wel weer mooi in beeld gebracht. Mondriaan en Van Doesburg, zoveel wordt op de blockbusters in Leiden en Den Haag overtuigend duidelijk, spraken een aardig woordje mee in de internationale avant-garde.