Wat bindt ons nog, behalve de angst voor de ander?

The Believer. Elf conversaties tussen geliefde schrijvers en de schrijvers die zij adoreren. Lebowski, 352 blz. € 50,-

De Verenigde Staten van McSweeney’s. Lebowski, 459 blz. € 20,-.

Er bestaat op Facebook een groep met de naam ‘I Am Less Impressed Than You Think I Am That You Read McSweeney’s’. Die groep, legt schrijver Nick Hornby uit, is met slechts 61 leden geen bijster populair gezelschap. Want wat er in het überhippe tijdschrift uit San Francisco wordt gepubliceerd, dat vindt toch iedereen fantastisch? En trouwens, meent Hornby, wie ‘de kliek’ die aan McSweeney’s meewerkt niet kent, heeft pech gehad.

To be with McSweeney’s, or not to be with McSweeney’s, that’s volgens Hornby in de VS zo ongeveer the question. Wie niet te zwaar aan het leven tilt en armlastig is, maakt meer kans op een lidmaatschap bij de club, aangezien McSweeney’s zich volgens Hornby kenmerkt als ‘ironisch, grillig geschrijf van jonge mensen die tweedehands kleren dragen’.

Nu kan zich in Nederland dezelfde tweedeling voordoen, aangezien uitgeverij Lebowski in een keer twee vertalingen uit de McSweeney’s-stal op de markt brengt. De Verenigde Staten van McSweeney’s (met daarin het polariserende voorwoord van Hornby) is een bloemlezing van vertaalde verhalen die in McSweeney’s hebben gestaan; het tweede, het wat al te zoet ondertitelde 11 conversaties tussen geliefde schrijvers en de schrijvers die zij adoreren, biedt een greep uit de ‘interviews’ die McSweeney’s broertje The Believer publiceerde. Dat laatste boek is geen klakkeloze vertaling van een Amerikaanse bundel, maar een op de Nederlandse smaak aangepaste selectie. Zo is er een stuk over David Sedaris in opgenomen, omdat die hier in Holland al behoorlijk groot is geworden.

De reden waarom het woord interviews in de alinea hierboven tussen haakjes staat, is omdat het weliswaar vraaggesprekken zijn, maar dan afgenomen door fans, waardoor er weinig afstand bestaat tussen vraagsteller en -beantwoorder. Dat is weinig kritisch, maar daar heeft The Believer in dit geval weinig moeite mee. De bewondering druipt af en toe van de pagina’s. Zadie Smith werkte zich in een maand tijd door het oeuvre van de door haar aanbeden Ian McEwan heen en voelde zich alleen daardoor al enorm verrijkt. ‘Maar fuck’, stelt zij hardop, ‘denk je eens in om alles van McEwan geschreven te hebben’. Vraag van Smith aan McEwan: ‘En ik vroeg me af hoe dat nou voelt, om naar je boekenplank te kijken en die hele fijne reeks eigen werk te zien. Zo’n hele stapel. Ik kan me niet voorstellen hoe dat voelt. Wonderbaarlijk. Denk ik.’

Tegengas ontbreekt ook grotendeels in het gesprek dat Jonathan Lethem met Paul Auster voerde. Eerst laat Lethem (die bij Ivo Niehe stage moet hebben gelopen) Auster losgaan over zijn vrouw Siri Hustvedt, die ‘met een fenomenaal gevoel voor esthetiek, haar briljante oog voor harmonie en overzicht’ van Austers werkruimte een ‘fantastisch onderkomen’ heeft gemaakt. Daarna mag nog even ruimschoots worden gejammerd over de last van het op tournee moeten nadat een nieuw boek is gepubliceerd. Dat is het nadeel van adoreren, dat je dan niet gewoon kan vragen waarom hij zo’n verplichte toer in het contract met zijn uitgever heeft laten vastleggen.

Gelukkig werkt de combinatie schrijver-schrijver ook vaak wel, omdat de interviewende schrijvers aanvoelen waar hun collega het over heeft en er gerichte vragen over kan stellen. De eerder genoemde Sedaris heeft überhaupt weinig sturing nodig. Daar kun je een kameel tegenover zetten en dan levert het nog een hilarisch stuk op. Zelfs de mediaschuwe Murakami stemde in met een interview voor The Believer. De status van Murakami benadert inmiddels die van onze lieve Heer, maar gelukkig stelt hij ons gerust: ‘Zelfs ik weet niet hoe mijn brein werkt.’

In veel van de verhalen in De Verenigde Staten van McSweeney’s is het sluimerende geweld in multicultureel Amerika aanwezig. Zo is er het geëngageerde ‘St. Chola’, waarin K. Kavash- Boyle invoelbaar maakt hoe gespleten de situatie van een puberende moslima in de VS is, en laat Ismet Prcic in een opmerkelijk rauw en agressief verhaal de mee-geïmmigreerde haat uit de Balkan in een typisch Amerikaanse garden-party de kop opsteken.

Het zijn vaak geïsoleerde personages die je in deze bundeling tegenkomt, terwijl ze die ‘ander’ juist zo hard nodig lijken te hebben. Wat bindt ons nog, behalve de angst voor de ander? Het schrijven zelf, lijkt het antwoord van McSweeney’s te zijn. Sheila Sheti en Pia Z. Ehrhardt lijken je op het eerste gezicht een liefdevolle, troostrijke Disney-vertelling in te lokken, maar eenmaal binnen wordt er grondig met die verwachting afgerekend. Hoe knus het binnen de muren van vrijhaven McSweeney’s ook moge zijn, erbuiten lijkt iedereen op zich zelf teruggeworpen.

De redacteuren van de twee tijdschriften treden zowel vrijdag en zaterdag op tijdens Crossing Border