Videocide

Deze week moest ik een ware slachting aanrichten in mijn verzameling videobanden. Weet u nog wat het zijn, videobanden?

Ja, die lelijke zwarte, van kunststof vervaardigde doosjes die zoveel plaats in beslag nemen – vooral als je er te veel van hebt (had) zoals ik.

In bewaren ben ik beter dan in opruimen, en dus dijde die verzameling de afgelopen decennia alsmaar uit. De doosjes kwamen in dozen terecht en de dozen in kasten. Elke keer dat ik zo’n kast opendeed, staarden die dozen mij levenloos aan, een neerdrukkend gezelschap van verwaarloosde herinneringen.

Waarom bewaart een mens? Uit overmoed, denk ik. Als je jong bent of halverwege je leven, is er nog geen grens in zicht. Het einde ligt onvoorstelbaar ver weg, er komt nog een tijd waarin je op je gemak alles kunt inhalen of herhalen. Wat je gemist hebt of waarvan je genoten hebt, stapel je op in boeken en banden en straks, als het leven één grote luie stoel is geworden, ga je er nog eens goed voor zitten. Zelfbedrog, begon ik te beseffen. Kijk om je heen, bezie de afvalrace, voor je het weet is het te laat.

Zeventig banden heb ik weggegooid. Over literatuur, film, cabaret, sport, noem maar op. Ik moest mezelf bekennen dat ik naar al die banden niet één keer had gekeken.

Ik wilde ze bij de hand hebben om goede tijden te laten herleven, maar ze werden doorlopend gepasseerd door andere tijden, goede én slechte, die me zozeer in beslag namen dat ik wel wat beters te doen had.

Ik heb niet alles weggegooid, stel je voor! Een stuk of dertig banden hebben deze videocide overleefd. Hun wacht over een jaar of tien, twintig jaar misschien hetzelfde lot, maar hun titels op de zijkant riepen nu nog net op tijd een vleugje dierbare herinnering of onverwachte melancholie op.

Ook draagt elke opruiming de sporen van de periode waarin ze plaatsvindt. Eén voorbeeld. Ik vond een Zweedse documentaire uit 1997 over verraad in de DDR: Betrayal. Een vergeten film, maar juist in deze dagen uiterst actueel. Ik besloot de band meteen te bekijken.

Ik was er vrijwel alles van vergeten, maar het bleek nog steeds een indrukwekkende film. Hij gaat over Sascha Anderson, een Oostduitse dissidente schrijver die in de jaren zeventig en tachtig andere kunstenaars voorging in het lijdelijk verzet tegen het regiem.

Later bleek dat Anderson al die tijd een fanatiek medewerker van de Stasi was geweest. Iedereen, vrienden en vriendinnen, had hij bespioneerd en verraden. Een Zweedse vriend, Björn Cederberg, zoekt hem voor de film op.

Anderson geeft toe dat hij voor de Stasi gewerkt heeft, maar hij ontkent het verraad. Hij praat druk, maar zegt weinig.

Aan het slot blijkt dat zijn vriendin niet meer met hem wil verder leven. Ze had gezegd: „Als ik niets kan geloven van wat je zegt, hoe kan ik dan geloven dat je van mij houdt?”

Anderson had ook altijd gelogen over zijn jeugd. Hij bleek als kind door zijn moeder verstoten en naar een kindertehuis overgebracht. Verraad was voor hem heel gewoon geweest, hij was ermee opgegroeid.

Opeens zag ik ook zijn tragiek – méér dan toen ik de film voor de eerste keer zag. Terecht bewaard dus. En wat terecht bewaard is, moet bewaard blijven, tot we er dood bij neervallen.