Van dertig banden naar één compact deel

Net als de televisieserie heet het boek De oorlog. Bedoeld is de Tweede Wereldoorlog, maar enig onderwerp is het lot van Nederland en de Nederlanders gedurende die oorlog.

De precisering ontbreekt in titel en ondertitel. Je kunt de begrenzing van het thema alleen aflezen van het stofomslag. Daarop is de titel roodgekleurd. De naam van de schrijver is in het wit gehouden. En op de achtergrond is de hemel boven een typisch Nederlands stuk strand (waarlangs wel twee Duitsers in uniform lopen) strakblauw.

Aan de ommekant is nog een foto van de Amsterdamse Rivierenbuurt afgedrukt, onmiddellijk herkenbaar aan de woningbouw uit het post-Berlage-tijdperk; een groepje Joden wacht op deportatie.

Het lijkt om een oorlog te gaan die niet op 3 september 1939, maar pas op 10 mei 1940 is begonnen. Met de oorlog bedoelt de schrijver, tevens eindredacteur van de serie, alleen de oorlog die Nederland trof, onze oorlog dus, in onze kleuren, onder onze vlag, met twee bezetters langs ons strand en met onze Joden uit Amsterdam-Zuid.

Terloops komen in het boek ook Duitsers, Britten, Fransen, Russen, Amerikanen en zelfs een paar Japanners voor, maar Nederlanders en hun smartelijke ervaringen spelen de hoofdrol. Behalve op de Jodenvervolging en het bombardement van Rotterdam, wijst de flaptekst nog op ‘de Hongerwinter, de massale tewerkstelling van meer dan een half miljoen Nederlandse mannen in Duitsland en de slopende internering van Nederlanders in de Japanse kampen’. Er is veel geleden.

Je moet onwillekeurig denken aan de proclamatie die minister- president De Geer op de vrijdagochtend van de tiende mei 1940 haastig moest schrijven om haar namens koningin Wilhelmina te kunnen laten uitspreken in het vroegst mogelijke radionieuwsbulletin. ‘Vlammend’ liet hij Wilhelmina protesteren tegen de ‘voorbeeldloze schending van de goede trouw en aantasting van wat tussen beschaafde staten behoorlijk is’.

Je had je toen meteen kunnen afvragen: hoezo voorbeeldloos? Terwijl Oostenrijk, Sudetenland, de rest van Tsjechoslowakije, Polen en Denemarken al onder de voet waren gelopen, en Noorwegen nog wanhopig probeerde zich tegen de Wehrmacht te verzetten op dezelfde dag (20 april) dat Hitler als bevriend staatshoofd een verjaardagstelegram ontving van z’n beschaafde buurvrouw achter de Maas, de IJssel en de Grebbelinie? Had Wilhelmina, die de boodschap ‘heel goed’ vond, niet op z’n minst moeten bedenken dat we als Nederland en Nederlanders lang niet de eersten waren die merkten wat ‘goede trouw’ in nazi-Duitsland betekende? Maar ze had die ochtend natuurlijk wel wat anders aan haar hoofd.

Er is veel goeds en positiefs te zeggen over boek en serie (wat de laatste betreft is alleen al de presentatie van Rob Trip een verademing na de poeha waarmee Charles Groenhuijsen ons vorig jaar door Verleden van Nederland leidde): het is een degelijke tweelingonderneming geworden, en als we ons tot het boek beperken is het voor jongere generaties een zegen dat ze niet meer al die bijna dertig banden van Loe de Jong nodig hebben om van ‘onze oorlog’ een indruk te krijgen: vijfhonderd keurige bladzijden in één compact deel kunnen volstaan. Nu alleen nog lezen.

Keurig is het woord voor wat Ad van Liempt met veel assistentie, een viermansredactie en de speciale medewerking van historicus Hans Blom op schrift heeft gesteld. De naam van Blom trekt extra aandacht, omdat hij zich in 1983 met de oratie In de ban van goed en fout? tegen zijn voorganger afzette, om van het ‘moralisme’ af te komen waar De Jong nooit omheen heeft kunnen denken. Maar hebben Bloms adviezen Van Liempt geholpen om de geschiedschrijver te worden van een halve eeuw ná De Jongs serie De Bezetting?

Dat valt nogal tegen – maar daar zat indertijd ook de zwakte van Bloms academische krijgsplan. In z’n moralisme was Loe de Jong glashelder. Door Bloms relativeringen kon diens beeld steeds op meer manieren worden geïnterpreteerd. Had het verzet zin? Was de Februaristaking van de communisten, of van Nederlanders die voor de Joden opkwamen? Is de Nederlandsche Unie een patriottistische beweging geweest, of opende ze de weg naar collaboratie? Was het echt zo verbazingwekkend dat Nederland op 16 mei 1940 gewoon weer naar school, fabriek of kantoor ging? Waren gastarbeiders slachtoffers, ofschoon Colijn ze al naar Duitsland had willen sturen?

Het antwoord op al die vragen blijft in het boek een beetje hangen – eigenlijk net als ooit bij Loe de Jong, die als historicus ook wist dat je bij alle ‘moraal’ op je tellen moest passen. Dat weet Van Liempt evenzeer. Wat me dwars blijft zitten in zijn opzet is de ondertoon van larmoyant mededogen met ons: de enige getroffenen, in de enige oorlog.

Ad van Liempt: De Oorlog. Gebaseerd op de gelijknamige televisieserie van de NPS. Balans, 501 blz. € 25,- tot 01.01.2010; daarna € 29,95