'Toneel kan niet zonder traditie'

Putten uit eigen ervaringen, daar gaat het bij toneelspel om, vindt Erik Vos. „Acteurs moeten tegenwoordig te vaak van stijl veranderen.”

Voordat regisseur Erik Vos aan De Kersentuin van Tsjechov begon, stuurde hij een brief aan de Nederlandse schouwburgen. Hij uitte zijn onvrede over zendmicrofoons, de nieuwste technische trend. Hij zegt: „Zendmicrofoons zijn ellendige staafjes, geplakt op de wang van een acteur. Snoeren lopen om je hals, je middel. Je bewegingsvrijheid wordt beperkt. Met zo’n microfoon kun je zelden oprecht of intiem spelen. De techniek filtert de stem. Een acteur verliest hierdoor een deel van zijn authenticiteit, zijn eigenheid. Voor mij is het steeds belangrijker geworden dat de acteur niet ondergesneeuwd raakt door technische snufjes. Dus geen video op de bühne, geen zichtbare techniek. De menselijke stem is prachtig van zichzelf, daar hoeft niets aan versterkt te worden.”

Het is eind oktober in een repetitielokaal van het Nationale Toneel, gelegen achter de Koninklijke Schouwburg in Den Haag. Er zijn nog twee weken tot de première van Tsjechovs stuk uit 1904 over de teloorgang van een landgoed met kersenboomgaard. Erik Vos (1929), oprichter van Toneelgroep De Appel in 1972, is een van de belangrijkste toneelvernieuwers. Een begrip als authenticiteit keert vaak terug, zowel tijdens de repetities als het gesprek na afloop. „Spelers moeten eigen bronnen durven aanboren,” luidt zijn overtuiging. „Ze moeten een brug slaan tussen hun persoonlijkheid en de toneelrol die ze vertolken.”

Aanvankelijk wilde Vos niet De Kersentuin regisseren, maar Macbeth met Stefan de Walle in de titelrol. Maar een gebeurtenis uit zijn persoonlijke leven gaf de doorslag. Vos: „Samen met mijn vrouw, Inez van Dullemen, bezaten we al veertig jaar een boerderij in Zuid-Frankrijk, diep in de wildernis. Het werd mede bewoond door uilen, slangen, muizen. Zo’n huis eist veel onderhoud. Omdat we oud werden, moesten het van de hand doen. Het is een landgoed zoals je je dat in Rusland kunt voorstellen, zeker uit de tijd van Tsjechov. De dag dat we het slot definitief dicht moesten draaien, riepen we de hulp in van onze zoon, Matthijs. Wij waren daartoe niet in staat.”

Deze trait d’union tussen persoonlijke ervaring en een klassieke theatertekst is voor Vos van wezenlijk belang. Vanaf de jaren zestig, zijn begintijd als regisseur, introduceerde hij in het Nederlandse theater een nieuwe vorm van repeteren: de improvisatie. Over zijn methode schreef hij boeken als De hele wereld is toneel en De wereld van transformaties. Veel theaterstudenten volgen zijn werkwijze, waarin improvisatie, tekst en beweging samenvallen. Onder de titel In de arena beschrijft Vos hoe zijn belevenissen als toneelregisseur verbonden zijn met maatschappelijke veranderingen van de laatste decennia.

Vos geeft de spelers opdracht te improviseren op thema’s uit De Kersentuin, zoals afscheid, herinneringen aan eigen jeugd en verleden, angst voor de toekomst. Voortdurend maakt Tsjechov sprongen tussen heden, verleden en toekomst, en dat vereist van acteurs een vermogen om snel te kunnen switchen. Vos gaat tussen de acteurs op de speelvloer staan, die schuin oploopt als naar een verre horizon: „Probeer uit je eigen bronnen te putten. Stel je voor dat jullie aankomen in het huis van je vroegste jeugd. Je herkent de kamers, hebt er herinneringen aan. Toch is de terugkeer op die oude plek uit het verleden een groot raadsel. Vroeger en nu vallen wonderbaarlijk samen. Als je dat ongewisse alleen met je verstand speelt, dan verlies je het geheim en gaat het kapot. Dus maak het irrationeel, toon verbazing. Laat momenten van shock zien.”

Vijf jaar vertoefde de spilzieke grootgrondbezitster Ljoebow met haar gevolg in het mondaine Parijs. Nu keert het gezelschap terug. Nauwelijks bekomen van de vermoeiende reis, doet koopman Lopachin de verpletterende mededeling: het landgoed met de kersentuin wordt verkocht. Bijlen vellen de bomen. Er zullen zomerhuisjes verrijzen. Actrice Betty Schuurman in de rol van Ljoebow krijgt als opdracht „te acteren als een onberekenbare, frivole zwerfster”.

Tijdens de repetities spreekt Vos de acteurs aan met de naam van hun rol. Tegen Stefan de Walle als de koopman zegt hij: „Lopachin, wist je dat Tsjechov na de eerste uitvoering geschrokken was omdat Lopachin als slechterik werd voorgesteld? Hij schreef toen een nieuwe tekst, waarin student Trofimow tegen Lopachin zegt: ‘Wat heeft u kunstzinnige handen.’ Kun je dat in je spel meenemen? Het is een misverstand te denken dat Tsjechov tegen vernieuwing was; hij was voor verandering, maar niet ten koste van de natuur.”

Vos onderbreekt de spelers regelmatig en geeft, als een dirigent, muzikale aanwijzingen. Die klinken als explosies, als de tutti van het orkest. Daarna treedt een geladen kalmte in. En opnieuw volgt een emotionele uitbarsting. Vos vertelt het verhaal over een improvisatie van een jonge actrice. Ze kreeg als opdracht haar pas overleden moeder op het sterfbed te bezoeken. Na lang zoeken vond ze een beeld: de fictieve tranen die in haar ogen opwelden, streek ze uit over het gezicht en de handen van haar moeder. „Kijk,” zegt Vos, „op die manier verbind je werkelijke emoties met de gestileerde emoties, die een klassieke tekst vereist. Die laatste zijn voor het spel van belang. Die neemt de toeschouwer waar.”

Na afloop zegt Vos dat een hecht ensemble van spelers, vertrouwd met elkaar en met de regisseur, de voorwaarde is om goed toneel te maken: „Het Nederlandse theater is instabiel. Acteurs kunnen zich te zelden met een vaste regisseur vervolmaken in een stijl. Omdat het moderne publiek een alleseter is, komen sommige groepen aan die wens van voortdurende wisseling tegemoet. Dat is funest voor de persoonlijke ontwikkeling van de acteur. De ene keer moet hij cabaretesk acteren, dan ingeleefd. Acteurs zijn daardoor gedwongen te snel van stijl te veranderen.”

Met veel spelers in De Kersentuin heeft Vos eerder gewerkt. Aan de jongere acteurs gaf hij les. Iets van het elan van zijn eigen groep De Appel lijkt terug te keren, al heeft hij wegens pensioengerechtigde leeftijd hiervan afscheid genomen. Vos memoreert de pas overleden Sacha Bulthuis, die Ljoebow zou vertolken: „In elke rol had Sacha iets onvoorspelbaars. Dat maakte haar tot een oorspronkelijk talent. Zij verzette zich nooit tegen een opdracht. Moest het op het toneel regenen, dan zei Sacha: ‘Ik zie wel wat die regen met me doet. Trek ik een jas aan of laat ik me nat regenen, ik wacht af’.”

Vos mist in het Nederlandse theater een traditie, zoals in Engeland, Duitsland of Frankrijk: „De incidentele opvoering van Gysbrecht van Amstel kun je moeilijk een traditie noemen, dat is een gewoonte. Traditie ontstaat als je zowel tekstgetrouw als rebels kunt zijn, als er een balans bestaat tussen traditie en het gevecht ertegen. Traditie is geen stilstand of verstarring, dat is verkeerd gedacht. Vernieuwing en ontwikkeling horen ook bij de traditie. Toneelscholen hebben lange tijd de klassieken verwaarloosd. Dat hoefde niet, klassiek was ouderwets, het ging om jezelf. Een volkomen foute gedachte. Repertoire is niet ouderwets; het geeft toegang tot het verleden. Dat is iets heel anders. In De Kersentuin leidt een reële gebeurtenis, zoals de verkoop van het oude landgoed tot onbegrip, verwarring en pijn om zo’n groot verlies. De mensen in het stuk begrijpen het niet, het gaat boven hun macht. Als wij dat aan de toeschouwers kunnen laten zien, hebben we veel bereikt.”

‘De Kersentuin’, door het Nationale Toneel. Regie: Erik Vos. Vertaling en bewerking: Erik Vos en Inez van Dullemen. Première: 14/11 Koninklijke Schouwburg, Den Haag. Inl.: www.ks.nl