Thee is beter dan troost

Steven Herrick: Cold Skin. Vert. Tjalling Bos, Lemniscaat, 14+, 280 blz. €14,50

In een Australisch mijnwerkersdorpje wordt op een ochtend een meisje vermoord gevonden in de rivier. Haar dood zet alles op zijn kop in het dorp waar de mijnwerkers hun ellende verzuipen, middenstanders sappelen, veteranen de oorlog proberen te vergeten, pubers worstelen met seksuele verlangens en de burgemeester stemmen koopt.

Het lange prozagedicht Cold Skin is het slot van de briljante trilogie van de Australische dichter Steven Herrick over een godvergeten dorpje. Opnieuw verschijnen in enkele honderden blanke verzen de gewone levens van dorpelingen, die dromen van een beter bestaan. Alleen verhoudt Cold Skin zich tot de eerste twee boeken als een symfonie tot een kamermuziekstuk.

Aan de rivier is een eenstemmige impressie van een kind, dat zich in de poëzie van het alledaagse verzoent met de dood van enkele geliefden. De roep van de wolf is een tweestemmig avonturenverhaal over twee pubers, die zich elk voor zich ontworstelen aan de vader. Cold Skin is een negenstemmige vertelling van (bijna)volwassenen, waarin een donker verleden met een imaginaire ‘stralende toekomst’ wordt vermengd in een grimmig heden.

De onderwijzer haat het dorp dat hem haat, en teert op zijn erotische weekeindjes in de grote stad. De burgemeester paait elke vrijdag in de kroeg met rondjes de mannen, die hem in stilte verachten. De journalist, die als enige een geheim kan bewaren, treurt na jaren nog om de dood van zijn vrouw: ‘Ik heb geprobeerd te bidden. / Dat geeft me troost. / Maar minder dan een kop thee / met een gemberkoekje.’

De meest gehoorde stemmen zijn die van de familie Holding. Larry is leergierig en droomt ervan het dorp te ontvluchten. Zijn broer Eddie is eerder sterk dan snugger en wil graag in de mijn werken. Hun vader Albert is een dronkelap die zich tijdens de oorlog niet heeft onderscheiden en in de kroeg grove grappen vertelt ‘om ons allemaal te helpen vergeten, / ook al hebben we geen ruk om ons te herinneren.’

De dood van Colleen O’Connor maakt haar in een klap tot het brandpunt van al deze dorpslevens. Haar schoonheid deed haar al figureren in de hitsige dromen van de jongens. Haar intelligentie en wilskracht gaf mannen als de journalist al de hoop dat sommigen uit het dorp zouden kunnen ontsnappen. Haar dood maakt dat de politieman van een dorpsoudste verandert in een speurder. En geeft de oorlogslafaard de kans alsnog een held te worden.

Cold Skin draait in essentie dan ook om moed. De moed van Sally om openlijk te houden van Eddie. De moed van Eddie om zijn vader te weerstreven. De moed van Albert om ‘te doen wat niemand anders doet’ voordat hij ten onder gaat met een andere lafaard. Cold Skin is dan ook geen whodunnit, maar een onderzoek naar de manier waarop een grote gebeurtenis mensenlevens verandert.

Herrick beschrijft dit met eenvoudige maar effectieve beelden die ontleend zijn aan het onherbergzame landschap. De stem van de onderwijzer bijvoorbeeld ‘jankt / als elektriciteitsdraden in een winterstorm’. Daarin lijkt Cold Skin op zijn voorgangers, maar de toon is in lijn met de leeftijd van de personages harder geworden.

De sluimerende erotiek is vervangen door opwindende seks en treurig hoerenbezoek. De illusies zijn grotendeels verdampt, zoals de terugblik van Albert op de oorlog: ‘De overwinning duurde precies één dag. [...] en mijn enige vijand ben ik zelf.’ Alleen de hoop is gebleven.