Terugdemoniseren, dat werkt niet meer

Fortuyn gebruikte bewust de term ‘demoniseren’. Die bepaalt nog steeds het debat.

Uitgekiende woordkeuze geeft je een voorsprong op je politieke tegenstander.

Het introduceren van de term ‘demoniseren’ is misschien wel het slimste dat Pim Fortuyn ooit gedaan heeft. Wat eerst nog een fel debat was tussen twee partijen die ieder flink uitpakten, veranderde in een eenzijdige, kwaadaardige, campagne tegen een argeloze politieke tegenstander. In het trekken van een stiletto tijdens een eerlijk vuistgevecht.

Framing the debate heet dat in hedendaags politiek jargon: door uitgekiende woordkeuze het debat naar je hand zetten.

De Republikeinen in de VS vervingen in de jaren negentig de term ‘tax reduction’ door ‘tax relief’. Elke Democraat die zich uitspreekt tégen tax relief legitimeert ongewild het frame – het opgedrongen kader – van belasting als een vorm van hoofdpijn, waarvoor ieder zinnig mens verlichting zoekt. Minister van Justitie Donner deed iets dergelijks door zijn bezuiniging op het gevangeniswezen het ‘sober regime’ te noemen. Wie tegen die maatregel pleit, pleit per saldo tegen soberheid.

Zo framede Fortuyn kritiek op zijn opvattingen in 2002 als een vorm van kwaadaardige agitatie en werd ‘demoniseren’ iets laakbaars dat links uithaalt met rechts.

Het probleem is alleen wel dat ‘links’ het er een beetje naar gemaakt heeft, bijvoorbeeld door mensen met afwijkende ideeën in verband te brengen met nazi-Duitsland, antisemitisme en de Holocaust.

Zo schreef Volkskrant-medewerkster Anet Bleich in 1984, toen er volgens haar ‘een golf van racisme’ door Nederland spoelde, dat ‘de klacht over een door ‘hullie’ slecht onderhouden trappenhuis en de gaskamer de twee uitersten van één racistisch universum vormen’. In huiselijke termen: je gaat op pantoffels de trap op om iets met je Turkse buurman te bespreken en je komt op SS-laarzen boven.

Ook berucht is de manier waarop D66-voorman Thom de Graaff in 2002 Anne Frank aanriep toen Fortuyn een opmerking over de grondwet maakte.

Die vorm van karaktermoord, met geen andere bedoeling dan om je tegenstander monddood te maken, hoe moet je dat eigenlijk typeren, vroeg Fortuyn zich waarschijnlijk af. Verbaal vaardig als hij was, kwam hij toen met: ‘demoniseren.’

En de geschiedenis herhaalt zich, misschien met dit verschil, dat Geert Wilders bepaalde groepen zelf even onbekommerd demoniseert als hij gedemoniseerd zegt te worden. Maar dat is het geheim van slimme framing: de eerste klap is een daalder waard. ‘Terugdemoniseren’ werkt niet, dan speel je het spel van de tegenstander met een handicap.

Het anti-Wilders-kamp zal iets anders moeten verzinnen.

Jan Kuitenbrouwer is schrijver, journalist en directeur van de Taalkliniek.