Scheltema

Op 7 november hebben we in Amsterdam voor de tiende keer de Museumnacht gehad. Dat is een inlichting waar u niets meer aan hebt, maar ik hoop dat u het foldertje hebt bewaard. Of foldertje? Het is een kleine, prachtig uitgevoerde brochure van 64 pagina’s, met alles wat je over die Nacht zou willen weten en een mooi uitvouwbaar plattegrondje; een documentje dat bewijst hoe zorgvuldig we hier met de kunstliefhebbers omgaan. Bewaar het. Over een halve eeuw is het geld waard.

In deze Nacht kon de liefhebber ook deelnemen aan de Persmuseumnachttour. „Wil je alles weten over de Nederlandse Fleet Street?” Neem dan deel aan die tocht. Deskundigen die alles nog uit eigen ervaring weten vertellen je hoe het toen was.

Ik twijfel er niet aan, ik ken deze deskundigen en ik weet dat ze goed kunnen vertellen. Maar weer vroeg ik me af, waarom de Nieuwezijds Voorburgwal de Nederlandse Fleet Street wordt genoemd. Altijd weer die nederigheid. Het is andersom. Fleet Street is de Londense Voorburgwal. En omdat we nu een wat hoger gebouw aan de Amstel hebben, de Rembrandttoren, moeten we het daar niet meteen Manhattan aan de Amstel noemen. Al vierhonderd jaar is het Amsterdam aan de Hudson. Dat we die stad destijds aan de Britten hebben verkwanseld, doet daar niets van af. En Harry Mulisch is niet de Homerus van Amsterdam, maar Homerus de Harry Mulisch van Athene.

Maar het is waar: aan de Nieuwezijds waren de kranten gevestigd, en waar toen de journalisten waren, had je cafés. De jongens en meisjes van Het Vrije Volk (aan het Hekelveld) gingen naar De Silveren Spiegel of Karpershoek, die van Elsevier naar De Drie Fleschjes in de Gravenstraat, hoofdredacteuren gingen lunchen in de Poort van Cleve of Dorrius (toen vlakbij het Spui), en zo had je ook Scheltema, naast het Algemeen Handelsblad en schuin tegenover De Telegraaf, Het Parool en de Volkskrant, in de onmiddellijke nabijheid van de Haagse Post en langer geleden ook De Waarheid.

Toch was Scheltema geen typisch journalistencafé. Het was een gastvrij, donkerbruin doorrookt onderkomen voor schilders, dichters, uitgevers, begaafde zonderlingen, soms een enkele bedelaar en ook journalisten. Appie Scheltema die de baas was toen ik er voor het eerst kwam, had het kaartspel verboden, maar verder heerste er de absolute vrijheid. Zijn opvolger, Willem de Lange, heeft het kaartverbod opgeheven en verder met een verborgen strengheid deze praktische anarchie bewaard. Een heel enkele keer ging het mis, zoals toen verslaggever en later VVD-Kamerlid J.J. Metz bij een gedurfde poging tot acrobatiek door de lichtbak van de leestafel zakte. Maar dat was een uitzondering. Amsterdamse cafés hebben nooit bekend gestaan om hun discipline en toch was Scheltema een oase van vrijheid.

Toen vertrokken de grote kranten naar de buitenwijken. De journalisten vonden andere cafés. De bohème is nog even gebleven maar door welke oorzaak dan ook was de dierbare anarchie verdwenen. En nu is Scheltema ter gelegenheid van de tiende Museumnacht dus opgenomen in een historische rondleiding. In Café de Flore, in de Parijse wijk Saint-Germain-des-Prés, staat nog het tafeltje waaraan Jean-Paul Sartre zat te schrijven. Een beetje geletterde toerist wil het zien. Dat is het lot van historische plaatsen.