Nederland is zelf groot geworden met imitatie

Het geeft geen pas om China te verwijten dat het octrooien schendt. Dat deed Nederland vroeger op grote schaal. Octrooien maken lui, meent Hendrik Rood.

China’s imitatie-industrie wordt afgeschilderd als iets wat Nederland een vermogen kost (NRC Handelsblad, 7 november). Maar hierbij worden de baten voor Nederlandse kopers van de veel goedkopere producten en verbetering van productieprocessen over het hoofd gezien.

Sterker nog, China doet de Nederlandse industrialisatie uit de negentiende eeuw gewoon na. Onder leiding van Thorbecke schaften de liberalen in Nederland in 1869 alle octrooiwetgeving af. Philips, Unilever en Elsevier hebben de grondslag voor hun bedrijf gelegd in dit 19de-eeuwse tijdvak.

Ook Zwitserland had in 1850 de octrooiwetgeving afgeschaft. Nederland en Zwitserland werden daarna door Duitsland, Frankrijk en Engeland onder druk gezet om octrooiwetgeving en auteurswetgeving weer in te voeren.

In 1971 publiceerde de Amerikaanse economisch historicus Eric Schiff Industrialisation without National Patents over Nederland en Zwitserland. Daarin wordt uit de doeken gedaan dat deze periode zonder octrooien heel goed uitpakte voor beide landen. Schiff publiceerde dat onderzoek als medewerker van het American Enterprise Institute, een niet bepaald radicaal-linkse denktank.

Sinds de Eerste Wereldoorlog is deze materie steeds verder verjuridiseerd en worden handige technici en creatievelingen met hoge transactiekosten geconfronteerd. In het bijzonder botsen zij op ‘blokkerende octrooien’ of ‘blokkerende auteursrechten’ als ze iets willen toepassen in nieuwe, samengestelde technische producten of een uiting met vele bronnen, zoals een documentaire of een muziekstuk met sampling. Wie steeds toestemming vooraf moet vragen, start per project een hordenloop in deze private, maar publiek gesanctioneerde bureaucratie. Wat juridisch-economisch werkt voor eenvoudige zaken als een medicijnformule of een boek, is een drama bij nieuwe combinaties in complexe samenstellingen. Maar nieuwe combinaties zijn nu juist de essentie van innovatie.

In de Gouden Eeuw gold de trits translatio, imitatio en aemulatio (vertaal, imiteer en evenaar) nog als meetlat voor intellectuele prestatie. In de 19de eeuw zette Thorbecke ons creatieve kompas wederom in die oorspronkelijke richting en ontstond de ‘kleine tweede Gouden Eeuw’. Vanaf 1912 is de staat echter weer op grote schaal intellectuele privileges gaan weggeven. Waarbij diegene die eerdere ideeën heeft overtroffen, de translatio en imitatio veelal verbiedt en zich daarmee van concurrentie ontdoet. Intellectuele privileges maken intellectueel lui. Het feit dat ook heden nog vrijwel alle grote Nederlandse industriële concerns uit het octrooivrije tijdvak stammen, moet te denken geven.

Het wordt tijd dat de barokke intellectuele privileges met wat minder ontzag worden benaderd. Een drastische inkrimping van intellectuele rechten à la Thorbecke, en die opnieuw in hoofdzaak beperken tot vooral een sterk Naam- en Merkrecht (waar de echte hinder van namaak plaatsvindt en fraude evident is) dient heroverwogen te worden als middel voor creatieve herindustrialisatie.

Namaak werd ook in Nederland als een vaderlandslievende plicht gezien, maar bovenal een opstap naar aemulatio.

Om China van ‘vals spel’ te beschuldigen, snijdt geen hout. In de twee periodes dat in Nederland beperkte intellectuele rechtsbescherming gold en de nadruk lag op het verbeteren van eerdere uitvindingen en creaties, voer het land daar zeer wel bij.

Zullen we dit dan maar het ‘Nederlandse model’ voor innovatie en voortuitgang noemen? Anders wordt het een ‘Chinees model’ en zijn we ook dat nog kwijt.

Hendrik Rood is technisch natuurkundige en telecomadviseur.