Moeder van alle tegenpartijen

De PVV wordt regelmatig vergeleken met de NSB. Een nieuwe studie van de eerste jaren van de Nationaal-Socialistische Beweging laat zien in hoeverre deze vergelijking opgaat.

Robin te Slaa en Edwin Klijn: De NSB. Ontstaan en opkomst van de Nationaal-Socialistische Beweging, 1931-1935. Boom, 938 blz. € 39,90

Gevaar voor de democratie of ‘slechts’ extreem-rechts – de controverse over het karakter van de PVV roept niet alleen bij Herman van Veen de vergelijking op met de NSB. Robin te Slaa en Edwin Klijn, werkzaam bij respectievelijk het Nationaal Archief en de Koninklijke Bibliotheek, hebben een studie over de succesrijkste jaren van de in 1931 opgerichte Nationaal-Socialistische Beweging geschreven die niet alleen een voorbeeld is van zorgvuldige en leesbare geschiedschrijving. Hun boek, De NSB, biedt ook de mogelijkheid om de eventuele verwantschap tussen de partij van Wilders en de NSB scherper in het vizier te krijgen.

De NSB kreeg binnen vijf jaar bijna 50.000 leden en in 1935 behaalde zij bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten bijna 8 procent van de stemmen. In een zwaar verzuilde samenleving was dit een aardverschuiving. Ter vergelijking: in 1967 zorgde nieuwkomer D’66 in een ontzuilend Nederland voor een sensatie door bij de Tweede Kamerverkiezingen tussen de 4 en 5 procent te scoren. Het zou tot 2002 duren voordat een nieuwe partij, de LPF, het resultaat van de NSB overtrof. Enquêtes – voor wat ze waard zijn – wijzen erop dat de PVV bij de volgende verkiezingen haar eigen beginnerssucces zal overtreffen.

Wat waren de oorzaken van de NSB-triomf? ‘Anti-democratisch’ en ‘extreem- rechts’ waren in het vooroorlogse Europa geen afzonderlijke categorieën, integendeel. In haar belangrijkste doelstelling, afschaffing van de democratie, toonde de NSB zich volgzaam aan het Italiaanse fascisme en het Duitse nationaal-socialisme, de drijvende krachten van het Europese rechts-extremisme. Maar Te Slaa en Klijn onderstrepen terecht dat de beweging van leider Anton Mussert niet louter buitenlandse import was. De NSB articuleerde met haar afkeer van de democratie op radicale wijze een stemming die in mildere vorm wijd verbreid was in de Nederlandse samenleving.

Zowel in de confessionele als de liberale partijen, die toen samen ongeveer tweederde van het electoraat vertegenwoordigden, circuleerde de overtuiging dat in een periode van massale werkloosheid de democratie machteloos was, in een diepe crisis verkeerde en moest worden bijgesteld. In de aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen van 1933, kort nadat Hitler in Duitsland aan de macht was gekomen, voerde de Anti-Revolutionaire Partij van Colijn campagne met de roep om een krachtig staatsgezag. De Centrale Inlichtingendienst, de AIVD van die dagen, concludeerde dat zich in Nederland ‘een grote ommekeer in de volksziel had voltrokken’: men verlangde massaal naar orde en eenheid. In 1934 schreef professor A.C. Josephus Jitta, lid van de Raad van State en afkomstig uit de links-liberale Vrijzinnig-Democratische Bond, een brochure met de titel Moeten wij aan de democratie vasthouden? Zijn antwoord luidde dat het parlementaire stelsel alleen te redden was als de volksvertegenwoordiging tijdelijk terugtrad en de uitvoerende macht, de regering, zonder tegenspel ingrijpende maatregelen kon treffen.

Dit was het politieke klimaat dat de NSB kansen bood. Driekwart eeuw jaar later heeft de volksziel de democratie ingeboekt als een vanzelfsprekendheid. Wat overigens niet betekent dat met dit stelsel alles in orde is. Kritiek is nu echter het resultaat van de wens de democratie te verdiepen door referenda en dergelijke. Afschaffen of zelfs maar inperken, daar denkt vrijwel niemand aan. Die doelstelling is dan ook op de agenda van de PVV niet te vinden, wat een levensgroot politiek verschil markeert met de NSB. Wilders mag dan vooralsnog vasthouden aan de ongebruikelijke opvatting dat interne democratie in de PVV niet nodig is, dat maakt hem nog niet tot het gevaar voor het parlementaire stelsel dat Mussert met zijn NSB uitdrukkelijk wilde zijn.

Te Slaa en Klijn beklemtonen de noodzaak om de ideologie van de NSB ‘rationeel te benaderen’. De geschiedenis van deze beweging achterstevoren schrijven, met als uitgangspunt de wetenschap dat de NSB tijdens de bezetting collaboreerde met de Duitsers, heeft geen zin. Zij zetten zich nadrukkelijk af tegen Loe de Jong, schrijver van het veeldelige Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, die zich volgens hen tot de gevangene van dit perspectief maakte door ook de vooroorlogse NSB eenzijdig als een grossier in negativisme af te schilderen. Zo verdwijnt volgens Te Slaa en Klijn achter de horizon dat de beweging van Mussert aanhang trok dankzij haar ‘positieve ideaal’. De auteurs spreken zelfs over een ‘Derde Weg’, naast democratie en communisme, die het visioen schetste van nationale eenheid, een sterke staat en een corporatief georganiseerde volksgemeenschap.

De vraag is of de auteurs zich niet te veel hebben laten meeslepen door de ambitie om van deze beweging een ander en ‘normaler’ beeld te schetsen dan bijvoorbeeld De Jong deed. Ook uit hun eigen boek blijkt namelijk dat de ideologie van de NSB niet alleen bleef steken in vaagheden en tegenstrijdigheden, maar bovendien in hoge mate een negatieve lading had, gericht op uitsluiting. Men keerde zich niet alleen tegen de democratie, maar ook tegen de communisten, de socialisten, de confessionele partijen, de liberalen en, na verloop van tijd, ook tegen de joden.

Te Slaa en Klijn ontkomen niet aan de conclusie dat de NSB ook in haar eerste fase al in hoge mate een beweging was die werd gedreven door ressentiment. Heel veel energie werd verbruikt aan een verbitterde propagandacampagne die tegenstanders verketterde. Als men verwantschap tussen de huidige PVV en de toenmalige NSB zoekt, dan ligt die in deze politiek-emotionele impuls van de rancune. Haat als motor van politieke strijd is van alle tijden, maar elke periode kent zijn eigen variant. De modernste uitvoering bestaat uit de rabiate tirades die de opzet hebben een islamitische minderheid te intimideren en te vernederen: zie als laatste en extreemste voorbeeld de bravoure waarmee Wilders het voorstel introduceerde om een ‘kopvoddentaks’ in te voeren. Het optreden van deze politicus vertoont kenmerken van de gepassioneerde en eenzijdige anti-mentaliteit die in het boek van Te Slaa en Klijn breed wordt uitgemeten.

De auteurs van De NSB hebben hun onderwerp tot op de bodem uitgespit en in dat opzicht de definitieve geschiedenis geschreven van de NSB in haar eerste fase. Er staat hen nog wel wat te doen: een vervolg over de NSB tijdens de tweede helft van de jaren dertig en een slot over de periode van de Duitse bezetting. Op het eerste van die twee aanvullende delen nemen zij al een voorschot door de vraag aan te snijden waarom het na 1935 met de beweging van Mussert snel bergafwaarts ging. De voortgaande solidariteitsbetuigingen met Adolf Hitler, ook nadat Duitsland in 1936 het Rijnland bezette en in 1938 Oostenrijk opslokte, versterkte het verwijt dat de NSB te volgzaam was aan het agressieve Duitse voorbeeld. Het verzet in de Nederlandse samenleving nam toe. Nadat de NSB al eind 1933 was getroffen door een ambtenarenverbod dat de beweging in een isolement plaatste, lanceerden vooral de sociaal-democratie en organisaties als Eenheid door Democratie en het Comité van Waakzaamheid in de tweede helft van de jaren dertig campagnes tegen de NSB.

Maar de NSB werd ook van binnenuit verzwakt, namelijk door interne conflicten die na 1935 heviger werden, maar al eerder een prominente rol speelden. Te Slaa en Klijn blinken uit door een liefde voor het detail die soms aan de uitbundige kant is, maar hun minutieuze aandacht voor dit gekrakeel werkt verhelderend. Wat konden deze kameraden geniaal ruzie maken! De NSB had te maken met een toevloed van, in de woorden van Mussert zelf, ‘slappelingen, recalcitranten, betweters, kankeraars en knoeiers’. De beweging werd binnen een paar jaar een reservoir voor politieke gelukzoekers, gespecialiseerd in talloze varianten van bonje die met opvallende verbetenheid werden uitgevochten.

Het succes van de NSB zou ongetwijfeld veel groter en duurzamer zijn geweest zonder deze handicap, die echter bij het karakter van de beweging leek te horen. De rancune die het optreden van de NSB naar buiten bepaalde, sloeg ook al snel naar binnen. Zo verging het niet alleen de beweging van Mussert, de LPF ging er zelfs al na een aantal jaren aan te gronde. In een haatdragende vete – wie weet nog waar die over ging? – sloopten de erfgenamen van Pim Fortuyn hun eigen partij. Het is te voorzien dat het virtuele succes van de PVV steeds meer aanhang zal trekken die door Wilders steeds moeilijker in het gareel is te houden. Wat er dan staat te gebeuren, kan men naslaan in het boek van Te Slaa en Klijn. Hun studie is niet alleen een historiografische prestatie van formaat, maar biedt ook een leerzame inleiding tot het psychogram van de politieke rancunebeweging.