Kom uit die boom, mam

Thomas Möhlmann: Kranen open. Prometheus, 57 blz. € 14,95

Thomas Möhlmanns debuutbundel De vloeibare jongen werd in 2006 genomineerd voor de C. Buddingh’- prijs. Möhlmann was de gedoodverfde winnaar, maar de jury besloot anders. In tegenstelling tot die van de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs, die het debuut in 2007 bekroonde.

Met zijn tweede bundel zet de dichter zich nu definitief op de kaart. Wáár blijft echter onduidelijk, want net als zijn debuutbundel speelt Kranen open in een gedesoriënteerd territorium. ‘Waar en wie zijn we?’ is nog steeds een kernvraag en nadrukkelijk poneert de dichter nu bij herhaling dat alles mogelijk is, maar niets waarschijnlijk natuurlijk.

De reekstitels zijn al even omineus: ‘Een draad die alles heel houdt’, ‘Een opeenhoping van centra’ en ‘Een blik die zoekt maar niet doordringt’. Elk van de 37 gedichten streeft naar een plaatsbepaling, maar het slotvers van de bundel constateert hoe hopeloos het verlangen naar orde is. ‘O’ heet het:

Natuurlijk past het niet, de dalende niet meer boven

de klimmende, je tranen niet weer in je oog, de scherven

in de vorm van een vaas, de afgelopen minuten

in het verschiet en de kip terug in het ei, maar laten we

tenminste sommige dingen weer opgeborgen zien

te krijgen: in de kom de vis, in de kwal de zee

Zo duidelijk als het thema ook in deze bundel weer lijkt, zo ontregelend is opnieuw de uitwerking die Möhlmann er aan geeft. Het is verleidelijk om verbanden of een rode draad te zien, maar Kranen open biedt meer vragen dan antwoorden. Soms is er even een geruststellend moment, bijvoorbeeld wanneer kop en staart van een veter elkaar vinden, maar doorgaans is het ‘onmogelijk vast te stellen uit welke hoek de wind nu waait’.

Was de dichter zelf nog afwezig in De vloeibare jongen, nu is er een nadrukkelijke ‘ik’ die zichzelf een rol geeft in ‘onze volstrekte betrekkelijkheid’. Een ik die zijn moeder vraagt ongeschonden uit de boom te komen, zijn vader eindelijk zijn tanden eens te laten zien, en zijn vrienden de andere kant op te kijken. Een ik ook die zich kwetsbaar toont, zoals in het gedicht ‘In het ochtendlicht’: ‘Stel als eerste vast dat lucht een afzonderlijke substantie is en je daast al / in je schrikvel. Er blijkt altijd iets groter dan het allergrootste, elk deeltje // bestaat uit deeltjes, dat ik het over jou heb en niet over mezelf / heeft meer met afspraken dan met onze gesteldheid te maken // nergens lijk ik tegenwoordig nog veilig, daar waar ik me schuilhoud / nog het minst…’

Bij een minder goede dichter zou dit intellectuele verstoppertje de lezer hopeloos vermoeien, maar Möhlmann is een vaardige taalsmid, die weet hoe taal de logica kan doorbreken. Zijn poëzie lijkt door filosofische vragen gevoed, maar wat hij schrijft is pure lyriek. Geen wonder dus dat in Kranen open tweemaal een parafraserende echo van Rilke klinkt: ‘wie nu nog een huis heeft breekt het af’ en ‘wie vanavond eenzaam is zal altijd eenzaam blijven’.

Möhlmann schuwt ook de humor niet, getuige ‘Moeder kom uit de boom’. Maar het liefst lees ik hem als hij de klok even laat haperen, zoals in ‘Kaarten’:

De dagen worden hier traag gedeeld, als niemand

op de tijd let, staat hij stil, dat weet ik nu, dat weet

zij nu en ook dat we dat weten enz., intussen

voltrekt zich het spel met gebaande gebaren

zonder jager geen prooi, zonder prooi geen jager

ze droeg ooit stevige borsten, ze droeg mijn geur

om haar hals en een schoon geheim als gewonnen

knikkers voorzichtig in haar schort

nu leg ik geduldig mijn hoofd in mijn handen

terwijl ze haar ogen sluit denkt ze na over slaap

dat weet ik, en zij weet dat, alles heeft zijn plaats:

de koekoek in de klok, het roofdier op de kaarten.

Alles heeft even zijn plaats, maar in Kranen open is dat maar schijn. In het volgende vers hervindt de taalsmid zijn aambeeld. ‘Elke stap verkleint en vergroot het aantal mogelijkheden,’ stelt hij dan, ‘maar het zijn niet de mogelijkheden waar hij naar zoekt / er moet een andere weg zijn dan deze, maar zodra hij die / neemt, moet er een andere weg zijn...’ Möhlmann schrijft een superieure vorm van kwelrijm.