Kiezen voor de vrouw

Voor De Nederlandse Opera maakt regisseur Peter Konwitschny een schokkende productie van Strauss’ opera Salome, die goed afloopt. „Alleen de liefde kan ons redden.”

Best een vrolijke kerel, vindt hij zichzelf. Moet ook wel. Tijdens repetities voor nieuwe operaproducties slingert hij „als een aap rond”. „Ja, ook hier bij Salome”, lacht Peter Konwitschny. „We hadden ontzettend veel lol bij het repeteren. Dat de repetities op een gegeven moment voorbij zijn en de zangers en musici dan zonder mij doorgaan, vind ik altijd vreselijk jammer.”

Het klinkt als een onschuldige uitlating, maar Konwitschny’s montere arbeidsvreugde lijkt lastig verenigbaar met de extreme Salome die hij voor De Nederlandse Opera heeft geënsceneerd. Er wordt gepijpt, verkracht, gezopen – zelfs kannibalisme wordt niet geschuwd. „De samenleving die Salome omringt is intens bedorven en dat wil ik tonen”, verklaart hij. Toch: om als regisseur na een persoonlijke depressie van vier jaar juist terug te keren met zo’n voorstelling – zijn eerste nieuwe opera voor Amsterdam – dat is een zelfoverwinning. Konwitschny ziet het niet zo. „Het gaat erom steeds weer de waarheid te tonen”, zegt hij. „Dat is mijn taak. Niet de waarheid aan de oppervlakte, maar de waarheid die achter de noten verstopt ligt.”

Als schoolvoorbeeld van het Duitse regisseurstheater zaait Peter Konwitschny met zijn operaproducties maximale verdeeldheid. Dat zijn moraliserende en actualiserende regies menig boesalvo uitlokten, is voorspelbaar. Boe voor de kniertjes in Wagners Fliegende Holländer die geen spinnewielen aantrapten, maar zich als Desperate Housewives de benen moe-‘spinden’ op moderne hometrainers. Boe voor de interpellator die in een aanvankelijk traditioneel ogende voorstelling van Wagners Die Meistersinger von Nürnberg opeens door de Duits-nationalistische slotmonoloog van Hans Sachs begon heen te tieren: „Zulke onzin kunt u toch niet zingen!”

Maar Konwitschny werd door recensenten van het tijdschrift Opernwelt ook – als enige ooit – vijf keer tot beste regisseur uitgeroepen. Precies om dezelfde reden: de inventiviteit die hem deed besluiten in Verdi’s Don Carlos de soldaten van Philips de Tweede tijdens de pauze als ontregelende macht door het prachtige premièrepubliek in de Wiener Staatsoper heen te laten stormen (zie nrc.nl/kunst). Alleen de kwaadaardigste critici hekelen niet zijn provocaties an sich, maar zijn hele signatuur, die „voorspelbaar” zou zijn.

Inderdaad zijn Konwitschny’s afschuw van macht, mannenmaatschappijen en decadentie constante factoren in zijn voorstellingen. Maar voorspelbaar zijn die voorstellingen zeker niet; daarvoor zijn Kontwitschny’s keuzes te oorspronkelijk, te extreem ook. In Nederland bracht het Holland Festival in 2005 zijn tweeluik van Alban Bergs opera’s Wozzeck en Lulu. Beide waren producties van de Staatsopera in Hamburg, waar hij met de toenmalige chef-dirigent Ingo Metzmacher, later de chef in Amsterdam, een geruchtmakende reeks opera’s presenteerde. „Schoolvoorbeelden van wat opera vermag: stelling nemen, het publiek direct bij de thematiek betrekken en aan het denken zetten”, zei Metzmacher daarover destijds in deze krant. Deze Salome had volgens plan een Amsterdams vervolg op die Hamburger succesreeks moeten worden. Daarvan kwam het niet: Metzmacher knapte af op het Amsterdamse operachefschap zonder eigen orkest („Als een kapitein zonder schip”) en nam ontslag.

Peter Konwitschny is 64, inmiddels. Hij groeide op in de DDR; een gebreide spencer en lange grijze paardenstaart verraden hem. Voor De Nederlandse Opera maakte hij in 2007 al een op veel nijdig geloei onthaalde enscenering van de opera Daphne, ook van Richard Strauss. „Een lastige opera”, herinnert Konwitschny zich. „Het was hard werken om daar tot een zinnige enscenering te komen. Aanvankelijk leek de opera me onpolitiek, Griekofiel en onspeelbaar.” Hij vond zijn sleutel uiteindelijk in Strauss’ escapistische houding tijdens de Tweede Wereldoorlog; als Daphne in een laurierboom verandert, toont Konwitschny beelden uit Riefenstahls Triumph des Willens. Ook voordien werd het schokeffect niet geschuwd. Daphne werd meermaals verkracht, net als in Salome gebeurt. „Er zijn veel dwarsverbanden”, zegt Konwitschny. „Maar bij Salome weet je van tevoren dat het een kritisch, macaber stuk is, vol decadentie, incest en wellust. En anders dan de onschuldige Daphne is Salome met alle denkbare perversies opgegroeid. Ze is het product van de bedorven samenleving om haar heen. Met één verschil: zij wil weten wat echte liefde is.”

Hoe weet u dat Salome uit is op liefde? Misschien begeert zij, verwend kind, de profeet Jochanaän alleen zo omdat ze hem niet kan krijgen.

„Dat is een denkbare interpretatie, maar die duiding is zinloos. Het stuk draagt dan geen boodschap uit.”

En dat moet wel?

„Natuurlijk. Wat zinloos is, hoort niet in het theater; daar moet je geen gemeenschapsgeld aan uitgeven. Voor het zien van een onbeschaamd brutaal kind dat haar lusten wil botvieren, kun je naar een pornobioscoop gaan.”

Heeft Strauss de thematiek die u toont bedoeld?

„We kunnen het niet weten. Maar we hebben het stuk en we hebben de noten en daar moeten we zelf onze gedachten over formuleren. Een werk is altijd wijzer dan zijn auteur. De belangrijkste vraag voor een regisseur is; wat zegt ons het werk op dit moment, en wat heeft het voor zin het op te voeren? Theater heeft voor mij ook een ethische kant. Het vormt mensen.”

Strauss componeerde zijn opera in 1905, u toont een verdorven gezelschap dat eigentijds oogt.

„Ja, ik geloof ook dat onze beschaving ten einde loopt. Dat is een natuurlijk proces; ook het oude Egypte en Mesopotamië gingen ten onder. Ik zie overal signalen. Een esthetisering van de brutaliteit, bijvoorbeeld. Dat je live-moorden op video kunt kopen. Dat communicatie in het virtuele leidt tot een grote mate van vervreemding en ontremming. Het geweldige aan kunst is dat het een utopie kan bieden; je kunt tonen hoe het beter zou kunnen en moeten.”

Met liefde, dus?

„Alleen liefde kan ons redden. Als er meer liefde is, hebben we een vervuld leven. Zonder liefde niet. Alle grote kunst wijst erop dat er meer liefde moet zijn. Maar de pogingen liefde een zetje in de goede richting te geven, werken nooit.”

Ergo: een Salome vol verkrachtingen, aarsen en existentiële leegte?

„Optimisme vind ik dom. Hoop is mooi en menselijk, optimisme is een systeem. Je kunt zeggen dat ik een pessimist ben, maar ik leef erg graag. Als ik geen hoop had, zou ik ook niet met zoveel plezier zwarte verhalen als Salome of Götterdämmerung regisseren. Maar dan moet je wel de waarheid tonen; hoe macht het leven kapotmaakt. De maatschappij die Salome omringt, heeft kannibalistische trekjes – net als de onze. Onze rijkdom is gebaseerd op de armoe van Afrika en Zuid-Amerika.”

Indirect kannibalisme.

„Ja, maar in het theater kun je iets niet indirect tonen. Vergelijk het met een schilderij van Dalí; hij toont de waarheid achter de uiterlijke vorm. Dat kan en moet in theater ook.”

Vreest u niet dat u mensen afschrikt, waardoor uw boodschap hen ontgaat?

„Een publiek bestaat altijd uit kenners, liefhebbers en idioten. Het gaat erom dat ik oprecht geloof dat mijn ensceneringen de werkelijke belangstellende beter bevallen dan een productie die geestloos is. Als ik weer zo’n mooi decor zie, Salome in een zwembad (regisseur Peter Mussbach voor Semperoper 2005, MS) of een slachthuis (David McVicar voor Covent Garden, 2008) erger ik me krom.

„Maar u heeft gelijk; er moet iets utopisch aan blijven. Dat is ook de reden dat ik Salome noch Jochanaän laat sterven: zij eindigen als harmonieus liefdespaar. Alleen niet onder een mooie maan en een betoverende blauwe hemel. Dat zou escapisme zijn. Het is als in psychotherapie; je moet tot de oorzaak van de pijn komen om die te kunnen overwinnen. Dat proces doet pijn. Als het te vroeg mooi wordt, kom je niet tot een oplossing. Dan is het een pleister, en behandel je alleen de oppervlakte. Het is niet zo dat ik pretendeer dat mijn theater het enig mogelijke is, hoor; verschillende aanpakken zijn denkbaar. Maar overigens ben ik van mening dat mijn theater het beste is (bulderende lach). En, verdorie, het mijne is ook mooi! Het ziet er mooi uit, er wordt mooi gespeeld en geweldig gezongen. Maar ik bied geen domme, oppervlakkige en sensatiezuchtige simplificaties.”

Konwitschny groeide op als zoon van dirigent Franz Konwitschny. Zijn moeder was operazangeres. „Ik denk zeker dat dat me heeft gevormd”, zegt hij. „Toen ik twee was, moest ik mee naar Humperdincks Hänsel und Gretel. Yehudi Menuhin zat regelmatig bij ons aan tafel. Ik ben werkelijk met muziek opgegroeid. En ik geloof dat ik ook een goed begrip heb van muziek. Wat zij betekent, wat zij ons zegt. Muziek is communicatie. Ik zou een mindere regisseur zijn als ik me daar minder rekenschap van zou geven.”

Toch laat u Jochanaän leven terwijl de muziek laat horen dat zijn kop wordt afgehakt.

„Als de kop wordt afgehakt, speelt de contrabas piep, piep, piep. Heel spannend. Maar het is geen eenduidig signaal voor moord; er zijn meer interpretatiemogelijkheden. Het gaat er in wezen om of de beschaving ophoudt, of verder gaat. Het is als de atoombom: een onherstelbare cesuur. Dat hoor ik erin. In de tussenspelen is het nog duidelijker; papa-papa-papa; daar hoor je dat Salome en Jochanaän niet alleen twee mensen zijn, maar krachten die met elkaar communiceren, en als zodanig voorbeelden voor de mogelijkheden van onze mensenwereld.

Jochanaän is een tamelijk hysterische profeet. Hoe ziet u zijn rol?

„Hij is liefdesvijandig. „Door de vrouw is het kwaad in de wereld gekomen”, tiert hij tegen Salome als zij hem de liefde verklaart. Het hele Christendom is voor mij levens- en liefdesvijandig, omdat men de de heilige drie-eenheid verzon, waarin geen vrouw voorkomt.

„Mannen delen vrouwen liever op in hoeren of heiligen dan dat ze haar liefhebben om wie zij is: het geheel. Waarom denk je dat er in de Middeleeuwen zoveel vrouwen als heksen verbrand zijn? Vrouwen werden als bedreiging gezien omdat ze liefde en natuurlijkheid propageerden. Maar dat strookte niet met de maatschappelijke ambities van mannen, die willen werken, industrialiseren, machines ontwikkelen. Een vrouwvijandige basishouding is een prijs voor onze vooruitgangsmaatschappij. Ook in de opera – Carmen, Traviata, Lulu – zijn het altijd vrouwen die geofferd worden om een verwerpelijke status quo te handhaven.

„Salome zegt: de liefde is belangrijker dan de dood. Ze is jong, misschien weet ze niet wat ze bedoelt, maar toch: ze zegt het. En dus wordt ze, zeer infaam, aan het eind vermoord. Maar ik kies hier uitdrukkelijk de kant van de vrouw; Salome mag blijven leven.”

Eindelijk iemand die zich om haar bekommert.

„Juist.”

In uw Lulu-enscenering stierf Lulu ook niet aan het eind en voor straf, maar vooraf even snel.

„Klopt.”

U redt de meisjes.

„Graag. Mits het zin heeft.”

‘Salome’ door DNO/NedPhO o.l.v. Stefan Soltesz t/m 5 dec Muziektheater A’dam. Inl. (020)6255455, www.dno.nl. Recensie op www.nrc.nl/kunst