Ik laat de muziek het karakter zijn

Philip Huff (25) schreef Dagen van Gras over een jongen die in een psychose raakt.

Huff heeft geprobeerd zich in te leven in de wereld van een jongen die hij zelf niet is.

Philip Huff was in zijn studententijd de chauffeur van schrijver en columnist Martin Bril. Als Bril moest optreden in het theater van Hoogeveen of moest voorlezen in de bibliotheek van Terneuzen, werd hij door Huff gebracht. Op de terugweg ging vaak de autoradio aan, en luisterden ze naar Met het Oog op Morgen. Dan zaten ze zich met zijn tweeën op te winden over de gasten. „Dan kwam er een vrouw aan het woord die een holistische dichtbundel had geschreven over chakrameditatie”, vertelt Huff. „Aan het einde mocht ze nog een gedicht voorlezen. Dan riep Bril: „Nee, doe het alsjeblieft niet.”

Huff (25) debuteerde enkele weken geleden met Dagen van Gras, een coming of age-roman over Ben, een jonge muzikant die na veel blowen in een psychose raakt en vanuit een psychiatrische inrichting terugkijkt op zijn getroebleerde jeugd. Het boek was wellicht nooit verschenen zonder Bril, althans niet bij De Bezige Bij. Huff had een kort verhaal over een jongen met een psychose gepubliceerd in De Gids. Na drie weken vroeg Bril of hij al wat van De Bezige Bij had gehoord. „Toen ik nee zei, greep Bril onmiddellijk de telefoon en belde de uitgeverij”, vertelt Huff. „Hij zei: ik zat net een kort verhaal te lezen, en ik vond het erg goed geschreven. Misschien is het wat voor jullie. Twee dagen later kreeg ik een mailtje van De Bezige Bij of ik niet een keer op gesprek wilde komen.”

Dat korte verhaal heb je uitgebreid tot een roman. Waarom wilde je dat verhaal vertellen?

„Ik heb twee jaar geleden van dichtbij gezien wat er kan gebeuren als je zoveel blowt dat je een psychose krijgt. Het overkwam een vriend van mij. Iemand met een psychose probeert jou de hele tijd te bereiken. Maar dat gaat moeilijk omdat hij voor jou moeilijk te volgen is. Zijn logica is totaal anders geworden. Daarover heb ik een kort verhaal geschreven, om me in te leven in hoe dat voelt. Dat doe ik wel vaker. Ik schrijf een verhaal in de ik-persoon om een vorm te geven aan een gebeurtenis in mijn leven.”

Dus ‘Dagen van Gras’ is eigenlijk een waar gebeurd verhaal.

„Nee, het is een roman. Ik heb het bij iemand zien gebeuren, maar dat betekent niet dat de psychose uit het boek zijn psychose is, of dat dit verhaal over die vriend gaat. Ik vind het niet interessant hoe autobiografisch een verhaal is. Ik wil niet dat de lezer denkt: wat is echt gebeurd en wat niet? Ik doe juist mijn best om de lezer te laten opgaan in het verhaal. Dat is het spel van fictie: hij moet geloven dat wat er staat ook echt gebeurt.”

Ik moet jou dus niet vragen naar de overeenkomsten tussen Bens gezin en het gezin van je vriend of jouw eigen gezin?

„Je moet doen wat je wil. Maar ik zou het niet de leukste vraag vinden om te beantwoorden. Ik heb elementen uit mijn eigen gezinsleven gebruikt. Daarom heb ik voordat het boek uitkwam tegen mijn ouders gezegd: ‘Pap, mam, de vader en moeder in dit boek zijn de vader en moeder van Ben. Ik probeer niet via dit boek iets over jullie of tegen jullie te zeggen.’”

Was daar dan aanleiding voor?

„Ik had eerder een verhaal gepubliceerd in Hollands Diep over een oudere man, die met zijn jonge vriendin in Italië is. Daarin komt een scène voor waarin ze anale seks hebben. Ik merkte dat mijn vriendin erover werd aangesproken. Mensen zeiden: ‘Dus zo gaat dat bij jullie.’ Of: ‘Moet Philip je iets vertellen?’ Dat was erg irritant. Zo lezen mensen blijkbaar. Een vriendje van mij maakte daar een goede opmerking over: veel mensen zijn ijdel, ze gaan op zoek naar zichzelf in een verhaal. En als ze zichzelf niet herkennen, dan gaan ze kijken wie ze dan wel herkennen. Dat vond ik een goede uitleg. Ik dacht: shit, straks gaat mijn moeder ook op zoek naar zichzelf.”

Was daar aanleiding voor?

„Alleen dat ik hun zoon ben, dat ik een boek heb geschreven in de ik-vorm en dat er een vader en een moeder in voorkomen. Mijn vader was meteen erg relaxed. Hij zei: ‘Je mag schrijven wat je wil, zelfs al zou je zeggen dat ik het ben. Dan geloof ik er nog niet in, want een boek is altijd een boek.’ Mijn moeder voelde zich aangetast in haar privacy. Ze zei: ‘Op een gegeven moment heeft die vrouw een roze badjas aan en die heb ik ook.’ Natuurlijk volslagen triviaal, maar zo las ze dat dus. Na de tweede lezing was ze wat relaxter.”

Popmuziek speelt een belangrijke rol in het boek. Waarom?

„Ik heb veel met popmuziek – en veel mensen met mij. Bovendien zegt muzieksmaak iets over het karakter van een persoon. Ik wilde van Ben een buitenbeentje maken, dus is hij fan van The Beatles en Bob Dylan en niet van 50 Cent. Ik heb muziek gebruikt om hem als personage reliëf te geven. Ben is een muzikant en derhalve veel met muziek bezig. Maar ik dacht: als ik hem op een leuke manier over muziek laat vertellen en ik laat dat telkens terugkomen, dan zegt dat ook iets over hem. Je bent de muziek die je hoort.”

Naar wat voor muziek luister jij dan? De titel van het boek is een verwijzing naar een lied van Spinvis.

„De titel was eerst ‘Een Wereld van Gras’. Maar er bleek al een boek te zijn met de titel ‘Een Wereld van Glas’. Dat vond mijn uitgever niet handig. Ik dacht daarover na, toen het liedje van Spinvis langskwam op mijn iPod. Toen dacht ik: ‘Dagen van Gras’ is precies wat ik wil zeggen met ‘Een Wereld van Gras’. Het liedje gaat over opgroeien. ‘You can make it if you try’, zingt Spinvis in het nummer, een citaat van The Rolling Stones. Dat komt weer terug in het boek, dus dat past er mooi bij. En ‘Dagen van Gras’ is een mooi ingetogen liedje. Als dit boek een liedje zou zijn, zou het een rustig liedje zijn.”

Jij houdt volgens mij ook van rustige muziek. Je afstudeerscriptie ging over Bob Dylan. Wat heb je over hem geschreven?

„Ik heb beschreven hoe het concept van de Amerikaanse droom terugkomt in zijn liedjes. Neem een lied als ‘Blowin’ in the Wind’, dat heeft zoveel historie. De melodie werd al gezongen voor de Eerste Wereldoorlog door bevrijde zwarte slaven. Het lied gaat over emancipatie van bevolkingsgroepen. De tekst verwijst naar de omstandigheden van die tijd. Hoe kan het dat een Joodse jongen van 21 uit Hibbing, Minnesota, een liedje zingt waarvan een hele bevolkingsgroep zegt: precies, zo is het?”

Is het jouw ideaal om zulke dingen te schrijven?

„Mijn ideaal is dat je met wat je schrijft een kern van waarheid raakt. Dat is voor muzikanten in zekere zin gemakkelijker dan voor schrijvers. Veel van de folkliedjes die Dylan zingt zijn oerliedjes die heel ver teruggaan. Mulisch doet dat in zekere zin ook. Hij gebruikt veel Griekse mythes. Als ik een verhaal schrijf probeer ik me te verplaatsen in iemand, maar wel zo dat het voor iedereen iets te zeggen kan hebben.”

Waar komt jouw ambitie vandaan om verhalen te schrijven?

„Ik doe het eigenlijk al heel lang. Vroeger toen ik klein was, knutselde ik boeken in elkaar met vriendjes. Die maakten we dan van kartonnen dozen van de Albert Heijn, met tekeningen erbij. Later, op de middelbare school, schreef ik gedichtjes. Daar schreef ik over. Ik was verliefd en het lukte allemaal niet. Op een gegeven moment werden die gedichten steeds langer, rijmden ze niet meer en werden het korte verhalen. Ik vind het vooral waanzinnig leuk om aan verhalen te werken. En waarom doen we niet datgene wat het fijnste is? De hele dag apenkooien.”