Het wachten is op nieuwe politieke idealen

Velen dachten dat na 1989 een nieuw liberaal tijdperk zou aanbreken. Twintig jaar later weten we beter. Xenofobie en populisme heersen in Europa, stelt Ian Buruma vast.

Twintig jaar geleden, toen de Berlijnse Muur werd neergehaald en het Sovjetrijk ineenstortte, waren alleen verstokte gelovigen in een communistisch utopia ongelukkig. Een enkeling bleef natuurlijk vasthouden aan de mogelijkheid van dat wat eens het ‘reëel bestaande socialisme’ heette. Anderen hadden kritiek op het triomfalisme van de ‘nieuwe wereldorde’ zoals beloofd door George H.W. Bush. En de wijze waarop West-Duitsland over het puin van het Oost-Duitse buurland walste, leek bijna een daad van wreedheid.

Toch was 1989 een mooie tijd om in te leven (behalve dan in China, waar de democraten een lesje werd geleerd). Velen van ons meenden het begin van een nieuw liberaal tijdperk te zien, waarin vrijheid en gerechtigheid zich als frisse bloemen over de aardbol zouden verspreiden. Twintig jaar later weten we beter.

De democratieën in Europa worden belaagd door xenofobisch populisme. De sociaal-democratische partijen slinken, terwijl rechtse demagogen beloven de ‘westerse waarden’ te beschermen tegen de islamitische horden. En de economische debacles van de laatste jaren lijken de waarschuwing te ondersteunen die bij de twintigste verjaardag van 1989 werd geuit door Michail Gorbatsjov: „Ook het westerse kapitalisme, dat zich, nu het van zijn oude tegenstander is beroofd, de onbetwiste winnaar en de belichaming van de vooruitgang op aarde waant, loopt het gevaar de westerse samenleving en de rest van de wereld opnieuw op historisch dood spoor te zetten.”

Zoals het er nu naar uitziet, zouden de liberalen – in de ‘progressieve’ Amerikaanse zin van het woord – weleens tot de verliezers van 1989 kunnen behoren. De sociaal-democraten werden altijd veracht door de communisten, en omgekeerd. Maar veel sociaal-democratische idealen, geworteld in de marxistische denkbeelden over sociale gerechtigheid en gelijkheid, werden als het spreekwoordelijke kind met het badwater van het communisme weggegooid. Dit begon al bij het vrijemarktradicalisme van het tijdperk Reagan-Thatcher. De maatschappij bestaat niet, was een beroemde uitspraak van Margaret Thatcher. Alleen het individu en het gezin telden. Het was ieder voor zich.

Voor veel mensen klonk dit als een bevrijding – van overgereguleerde markten, brutale vakbonden en klassebevoordeling. Vandaar de naam neoliberalisme. Maar het vrijemarktradicalisme ondermijnde de rol van de staat bij de opbouw van een betere en rechtvaardiger samenleving. De neoliberalen hechten niet zozeer aan gerechtigheid als wel aan meer efficiëntie, een hogere productiviteit, het bedrijfsresultaat.

Op hetzelfde moment dat de neoliberalen te vuur en te zwaard tegen de oude sociaal-democratische regelingen streden, verspilde links zijn energie aan cultuurpolitiek, ‘identiteit’ en ideologisch multiculturalisme. Eens was het democratisch idealisme het domein van links, inclusief sociaal-democraten en liberalen. In de VS waren het democraten als John Kennedy die over de hele wereld vrijheid propageerden. Maar aan het eind van de 20ste eeuw ging het voor een groot deel van links zwaarder wegen om de cultuur van de ‘Derde Wereld’ van het ‘neokolonialisme’ te redden – hoe ongepast ook – dan om gelijkheid en democratie te ondersteunen. Ter linkerzijde werden wrede dictators verdedigd (Castro, Mao, Pol Pot, Khomeini, e.d.), alleen maar omdat ze zich tegen het ‘westerse imperialisme’ keerden.

Elke politiek die was afgeleid van het marxisme, verloor daardoor haar geloofwaardigheid – hoe losjes het verband ook was – en ging uiteindelijk in 1989 ten onder. Dat was uiteraard een ramp voor communisten en socialisten, maar ook voor sociaal-democraten, want zij waren een ideologische basis voor hun idealisme kwijtgeraakt. En zonder idealisme wordt politiek een vorm van boekhouden, het beheer van zuiver materiële belangen. Dit verklaart waarom de Italianen, en later de Thai, zakenlieden tot leider van hun land kozen. Ze hoopten dat mannen die zoveel persoonlijke rijkdom hadden weten te vergaren, dit ook voor hun kiezers zouden kunnen doen.

Toch is de retoriek van het idealisme niet geheel verdwenen. Ze is alleen van links naar rechts verschoven. Ook dat is bij Reagan en Thatcher begonnen. Zij namen het streven naar democratie in de wereld van Kennedy over. En zodra links de taal van het internationalisme – democratische revolutie, nationale bevrijding, enzovoorts – liet varen, namen de neoconservatieven deze over. Hun pleidooi voor de Amerikaanse militaire macht als stormram van de democratie was misplaatst, grof, arrogant, dom, naïef en levensgevaarlijk, maar wel onmiskenbaar idealistisch.

De aantrekkingskracht van het revolutionair elan heeft het voormalige links voor een deel naar het neoconservatieve kamp gedreven. Maar de meeste liberalen hadden grote zorgen over de neocons, zonder een samenhangend antwoord te kunnen vinden. Nadat ze hun eigen enthousiasme voor het internationalisme hadden verloren, was de gemeenschappelijke reactie onder liberalen op het radicalisme van de neocons een roep om ‘realisme’, niet-inmenging in andermans zaken, terugtrekking uit de wereld. Dit mag in veel gevallen nog zo wijs zijn, maar het is niet bepaald inspirerend. Daarom is het geen wonder dat een linkse internationalist als de Franse minister van Buitenlandse Zaken Bernard Kouchner een soort tehuis voor zijn idealisme heeft gevonden in de conservatieve regering van Nicolas Sarkozy.

Voor het eerst sinds de regering-Kennedy behoren de VS tot de weinige liberale democratieën ter wereld met een centrum-linkse regering. Kan president Obama ons voorgaan naar een nieuw tijdperk van sociaal en politiek idealisme? Dat lijkt onwaarschijnlijk. Zijn inspanningen om de Amerikanen een betere gezondheidszorg te verschaffen zijn bijvoorbeeld niet zozeer een vernieuwing als wel een poging om ook tot de voorzieningen te komen die de meeste Europeanen en Japanners allang vanzelfsprekend vinden. En alleen hierom wordt hij door zijn vijanden al een ‘socialist’ genoemd.

Obama is geen socialist en ook geen pure boekhouder. Hij heeft enkele bescheiden idealen en kan nog altijd een uitstekende president worden. Maar om het liberale idealisme nieuw leven in te blazen is een aantal nieuwe ideeën nodig over de manier waarop gerechtigheid, gelijkheid en vrijheid in de wereld kunnen worden bevorderd. Reagan, Thatcher en Gorbatsjov hebben bijgedragen tot het einde van een ideologie die eens hoop bood en tot echte vooruitgang inspireerde, maar die op slavernij en massamoord uitdraaide. We wachten nog altijd op een nieuwe visie die tot vooruitgang zal leiden, maar ditmaal hopelijk zonder tirannie.

Ian Buruma is een Brits-Nederlandse schrijver. Sinds 2005 woont hij in New York.