Het vlees is zwak

Sinds de Industriële Revolutie was het geconsumeerde dier uit ons blikveld verdwenen. Maar nu is vlees uit de ‘comfort zone’ en kijken we met pro- en antivlees-schrijvers als Julie Powell en Jonathan Safran Foer ons diner in de ogen.

Jonathan Safran Foer: Eating Animals. Hamish Hamilton, 341 blz. € 17,95. Vertaald door Otto Biersma en Onno Voorhoeve als Dieren eten. Ambo, 335 blz. € 19,95

Julie Powell: Cleaving. A Story of Meat, Marriage and Obsession. Penguin, 294 blz. € 16,-

Toen deze krant twee weken geleden berichtte over de komst van de Vleeswijzer, waarin met symbolen de diervriendelijkheid en de milieubelasting van verschillende soorten vlees zijn aangegeven, werd dat in elk geval één lezer te veel. Hij stuurde een ingezonden brief naar de krant. ‘Dagelijks, tijdens de avondmaaltijd, eet ik twee, soms drie stukken vlees,’ schreef hij. ‘Bij tijd en wijle organiseer ik voor vrienden een vleesfestijn waarbij ik mijn tafelgenoten vergast op een ribeyesteak van 500 à 700 gram of een soortgelijk stuk vlees. Elke zomer organiseer ik bovendien – naast de frequente barbecue – een braai waarbij een compleet varken of schaap aan het spit wordt gegaard om daarna door de aanwezigen in Obelix-stijl te worden verorberd.’

Ook voedsel kent zijn Hummerrijders. Het zijn de carnomanen onder de carnivoren, de hardcore hedonisten die als gestoken reageren op de aanzwellende golf van gewetensnood die de consument momenteel bedreigt. Niets mag immers meer, alles is slecht voor onze gezondheid, voor het milieu en meestal voor allebei.

In de vroege 21ste eeuw is consumeren steeds minder schuldvrij. Vooral vlees moet het ontgelden. De verhoudingsgewijs grote CO2-uitstoot die gepaard gaat met vleesproductie heeft voor elkaar gekregen wat eerder nieuws over dierenleed, virussen, vervuiling, waterverbruik en gekapte regenwouden niet vermocht: vlees is uit de comfort zone.

Pas nu kijken we ons diner weer in de ogen, ongeveer zoals de Britse essayist John Berger indirect bepleitte in zijn bekende essay Why look at animals? uit 1977, onlangs heruitgegeven in de onvolprezen Penguin-essayserie Great Ideas en nog onverkort van toepassing. In de verhouding tussen mens en dier draait het om kijken, aldus Berger, om zien en niet willen zien. Ooit scharrelden de varkens over ons erf, we slachtten onze kippen zelf, de balans tussen vlees en vertedering was intact. Vervolgens heeft de industriële revolutie voor een functiescheiding gezorgd. Het dier is uit ons blikveld verdwenen. Het is ófwel een onzichtbare industriële grondstof, met alle lijden van dien, ófwel een knuffel-exemplaar in dierentuin of huiskamers – minder pijnlijk, maar even onnatuurlijk.

Je kunt romancier Jonathan Safran Foer en kookschrijfster Julie Powell veel verwijten, maar niet dat ze hun diner niet in de ogen hebben gekeken. Met enige maanden tussenpoos publiceerde de één een pamflet tegen de bio-industrie en de ander een uitgesproken pro-vleesboek, wat een stuk zeldzamer is. Op beide boeken valt nogal wat af te dingen, maar de combinatie ervan is leerzaam, voor gedachtenloze carnivoren, voor vegetariërs en voor een ieder daar tussen. Bij deze schrijvers wordt het vlees woord, en komt tot leven.

‘Ik reik naar beneden, in de met plastic beklede kartonnen doos, mijn hand komt naar boven met een orgaan dat waarschijnlijk zo’n vijftien pond weegt, een dicht en glibberig dood gewicht, een bloed doordrenkte spons. Ik smijt de lever op het hakblok, hij maakt het geluid van een flapperende vis op het dek. [...] De doos is diep en toen ik naar de bodem reikte, raakte mijn gezicht de bloederige rand. Nu staat er een rode streep op mijn wang.’

Aldus kookschrijfster Powell in Cleaving, a Story of Meat, Marriage and Obsession. Na het succes van haar eerste boek, Julie and Julia, waarin ze beschreef hoe ze alle recepten van een klassiek Frans kookboek nakookte (de verfilming met Meryl Streep is net in de bioscoop), besloot Powell een half jaar in de leer te gaan bij de ambachtelijke slager Fleisher’s in New Jersey. Haar huwelijk is op sterven na dood, ze heeft een broeierige affaire met ene D.

Powells boek is niet voor gevoelige zielen, en ook niet voor literaire fijnproevers. Het is duidelijk haar bedoeling dat de twee vormen van vleselijkheid, het aan bouten en repen snijden van dieren en de kinky seks met D., tot een edgy geheel worden – Sex and the City rond het hakblok. Dat werkt niet. Powells obsessie met zichzelf en haar relatieperikelen is vervelend. Maar over het slagersvak kan ze overtuigend schrijven, zodat je je realiseert hoeveel anatomische kennis, vaardigheid en fysieke kracht het ontbenen van een rund vergt. Achteloze zinnetjes als ‘alleen het uitsnijden van de oogballen valt me zwaar’ en de passages over het afsnijden van varkenswangen, het maken van hoofdkaas of de keer dat haar motorzaag een abces in een varkenshoofd raakt, houden de lezer bij de les.

Ook wordt duidelijk dat Powell het eten van vlees als een mensenrecht beschouwt, een teken van mentale gezondheid zelfs. Bij Powell zijn veganisten insane en vegetariërs ‘boring, sticklike women’, braaf en bloedeloos. Carnivoren léven, wil ze maar zeggen, omdat ze vuile handen maken en de morele dubbelzinnigheid van het bestaan onderkennen. De ‘Valentijnslever’ die ze voor echtgenoot Eric bereidt is ‘een van de gepassioneerdste dingen die je ooit zult eten’ en ‘zo sexy als de hel, maar ook moeilijk.’

Met Eating Animals schaart romancier Jonathan Safran Foer zich in de rij van literaire auteurs die zich tegen de bio-industrie keren – van de buitenlandse is J.M. Coetzee de bekendste, in Nederland waren onder anderen Koos van Zomeren, Maarten ’t Hart en J.J. Voskuil actief voor Varkens in Nood. Zwaar schatplichtig aan John Berger is Safran Foer als hij onze empathie een loer probeert te draaien met een recept voor Filippijnse bruiloftshond. Maak Fikkie af in uw achtertuin. Brand zijn vacht af en vil hem (de huid kunt u later voor iets anders gebruiken). Verwijder zijn ingewanden, snijd hem in blokjes. Braad die aan in de wok, voeg tomaat, ananas en specerijen toe en stoof totdat hij gaar is. Maal Fikkies lever tot pulp en stoof die nog vijf minuten mee.

Honden eten onze restjes, ze wonen tussen de mensen, en staan in delen van de wereld al op de menukaart. Het eten van eigen honden of asielhonden zou daarom, schrijft Safran Foer, een goede oplossing zijn voor het vleesprobleem – duurzaam, lokaal en lekker.

Het pleidooi voor hond is het provocatiefste element uit Eating Animals.Net als in zijn romans, Everything is Illuminated en Extremely Loud & Incredibly Close, en méér nog, schrijft Safran Foer zinnen die de grens van kitsch soms ver overschrijden. Neem zijn frase over vissen, van wie wij het lijden veronachtzamen omdat vissen van mensen gescheiden zijn door ‘surfaces and silence’. Ook de voor Foer kenmerkende typografische grapjes zijn er weer. In Eating Animals staan vijf pagina’s volgedrukt met de woorden influence en speechlessness, met aan het slot de mededeling dat de gemiddelde Amerikaan gedurende zijn leven ongeveer 21.000 dieren eet, net zoveel als alle letters op die pagina’s.

Maar heeft Jonathan Safran Foer verder iets te zeggen over het eten van dieren? Ja en nee. Ja, omdat hij zich uitvoerig heeft gedocumenteerd, en een beschrijving van de omstandigheden voor dier en mens in de vleesindustrie altijd weer diep schokt: koeien die nog leven als ze al tien minuten op de slachtlijn zijn en hun poten worden afgezaagd. Levende kuikens in de versnipperaar. De massaliteit van de verwerking van zoveel levende wezens, de benadering van intelligente dieren als ruwe grondstof, het absurd hoge beslag van de vee-industrie op de water-, land- en voedselvoorraden in de wereld. De meedogenloosheid van het verdienmodel. Hoe je het wendt of keert, de bio-industrie blijkt wederom totaal onhoudbaar – behalve uit zuiver economisch oogpunt.

Onhandig is, dat Foer de discussie rond vlees uit de sfeer van sentiment wil halen, maar zijn hele betoog bouwt op empathie, op mede-lijden met dieren. Terwijl het juist de niet-empathische argumenten zijn (de bio-industrie als gevaar voor de volksgezondheid door virussen en hormoongebruik, als niet-duurzaam door CO2-uitstoot en milieuvervuiling et cetera) die de discussie momenteel wat doen kantelen. Wel slaagt Foer er goed in, de bal van het sentiment, die doorgaans bij vegetariërs wordt gelegd, terug te spelen. Wie is er irrationeler, vraagt hij zich af. Iemand die een hamburger eet omdat hij dat NU wil, of degene die zich laat leiden door andere overwegingen dan die van watertanden?

Ronduit teleurstellend is dat Safran Foer op het vlak van ideeën zoveel uit de weg gaat. Hij schrijft wél dat de vleesindustrie een oorlog voert, maar waagt zich niet aan de beroemde vergelijking van de bio-industrie met de Holocaust, door J.M. Coetzee in The Lives of Animals in de mond gelegd van zijn alter ego Elisabeth Costello. Safran Foer claimt wél dat de onverschilligheid voor wreedheid gelijk is aan wreedheid, maar noemt niet de man wiens beroemde pleidooi voor dierenrechten op dit kernidee gebouwd is, de Australische bio-ethicus Peter Singer.

Niet alleen vegetariër Safran Foer, ook carnomane Julie Powell is tegen ‘Big Beef’. Alleen is de bioindustrie haar niet meer waard dan een alinea. Het gaat haar om haar eigen eten, de consequenties van haar voorkeuren zijn haar – met excuus – worst. Safran Foer kiest zelf weliswaar voor het vegetarisme, maar hij is niet per definitie tegen vlees. ‘Selectieve omnivoren,’ die alleen verantwoord vlees eten, kunnen wat hem betreft door de beugel. Vandaar dat de kleine boeren, slachters en slagers die zich buiten de industrie om staande weten te houden om ‘op humane wijze’ dat verantwoorde vlees te produceren, in beide boeken worden opgehemeld als heiligen. Daarmee gaan de schrijvers voorbij aan het feit dat verantwoord vlees per definitie een oplossing is voor weinigen. Het bestaat bij de gratie van exclusiviteit – als het massaal geproduceerd zou worden zouden dierenleed en milieubelasting weer toenemen. Een wereld vol Julie Powells is een rampscenario.

In een ander essay in diezelfde bundel, The Eaters and the Eaten, schrijft John Berger dat eten de meest directe vorm van consumptie is, en vlees daarvan weer het meest confronterend. De verschillende waardenpatronen van deze twee schrijvers laten daarom precies zien hoe het ervoor staat met het denken over consumptie in deze tijd. Steken we à la Powell de kop in het zand, en staan we op de sublieme bevrediging van onze behoeftes, no matter what? Als Powell íets laat zien, dan is het hoe diep gevoeld en cultureel bepaald die behoeftes zijn – van 150 jaar hedonisme doe je niet zomaar afstand.

Of is de tijd gekomen om, net als Safran Foer, niet langer toe te staan dat ‘de maatschappij voortdurend van ons vraagt ons geweten te onderdrukken ten gunste van onze begeertes’? En is dat, zoals hij schrijft, makkelijker dan we denken, omdat compassie is ‘als een spier die sterker wordt door training’?

Niet voor iedereen is de keus helder. Begin 21ste eeuw zijn Powell en Safran Foer, de hedonist en de moralist, niet alleen de twee worstelende zielen in onze borst, maar ook twee steeds sterker conflicterende krachten in onze maatschappij. Voorwaar een bijbels drama in een nieuw jasje; onze geest is misschien best willig, maar ons vlees nog zo zwak.

Wilt u reageren? Schrijf naar boeken@nrc.nl

John Berger: Why Look at Animals? Penguin Great Ideas series no 80. 99 blz. € 7,-