Grappenjager vol van menselijk mededogen

Tentoonstelling Elliott Erwitt: Retrospective. T/m 17 januari in Gemeentemuseum Helmond (locatie Boscodontohal), F.J. van Thielpark 7. Di-vr 10-17, za-zo 13-17. Inl: gemeentemuseumhelmond.nl * * * *

Humor is tamelijk zeldzaam in de fotografie. Wellicht omdat humor een onverwachte, verrassende wending nodig heeft. En foto’s geven nu eenmaal te veel prijs tijdens de eerste oogopslag. Dan valt er nog maar weinig verrassend te wenden. Alles staat of valt met de balans tussen wat zichtbaar is en wat ontdekt moet worden.

Eén van de weinige fotografen die zich altijd nadrukkelijk op het terrein van de humor heeft begeven is de Amerikaan Elliot Erwitt (1928). Het werd zijn handelsmerk, vooral door zijn foto’s van honden (met bazen en bazinnen, uiteraard) en van het onbewuste samenspel in musea tussen bezoekers en kunst.

Onvermijdelijk spelen die foto’s dan ook een prominente rol in Erwitts overzichtsexpositie in Gemeentemuseum Helmond. Ruim 130 zwart-wit foto’s, de vroegste uit 1948, de laatste uit 2001, de meeste uit de periode 1950-1970: het is de eerste keer dat zijn werk op een dergelijke schaal in Nederland te zien is.

Met zo veel ‘humorfoto’s’ bij elkaar blijkt weer eens hoe makkelijk het evenwicht tussen de ingrediënten verloren gaat. Een steltvogel die lijkt op de gebochelde waterkraan; een coca cola-automaat tussen een rijtje raketten; een verkeersbord wijzend naar de bergtop in de verte – het zijn grappen die eigenlijk al klaar zijn voor je ze goed en wel hebt gezien. Een jagersfiguur die vanaf een schilderij pijl en boog richt op de rug van een wegwandelende museumbezoeker; een buldog op schoot van zijn bijna onzichtbaar geworden baas; een groep vrouwen wandelend achter een troep ganzen? Beter, maar nog steeds niet verrassend. Daarvoor is toch iets meer nodig.

Maar ook dat wist Erwitt te vinden. In 1983 in een klas vol schilderende nudisten bijvoorbeeld. Eerst zie je die blote lijven, dan de schildersezels en de verschillen tussen al het schilderwerk. En daarna pas, want verscholen, het poserende model – gekleed. Een zeldzaam juweeltje, net als de biecht in de open lucht die hij in 1964 tegenkwam op een Poolse straathoek. Een pastoor legt er vermoeid zijn oor te luister, onderwijl met zijn hand een geeuw maskerend. Prominent in beeld trekt hij alle aandacht naar zich toe, tot je in de wachtrij naast het biechthokje twee zachtjes roddelende vrouwen ontdekt en iemand die de gebaren van de pastoor imiteert.

Hoewel dergelijke foto’s zijn reputatie als ‘grappenjager’ bevestigen, laat het retrospectief overtuigend zien dat ze niet zozeer de kern vormen van het oeuvre als wel een uitvloeisel zijn van een levenshouding. Zoals menig fotograaf van zijn generatie kijkt ook Erwitt met mededogen naar het dagelijks leven om hem heen, zich bewust van de breekbaarheid ervan. Niet conflict en verdeeldheid houden hem bezig, maar de verbondenheid die gestalte krijgt in het alledaagse. Diezelfde humanistische houding is ook typerend voor Magnum, het agentschap waar hij in 1953 lid van werd.

Anders dan menig Magnumcollega heeft Erwitt niet geprobeerd de grote gebeurtenissen van zijn tijd nadrukkelijk te volgen. Koude Oorlog, Vietnam, de sixties: nergens kom je ze expliciet tegen. De wederopbouw van Europa, de rassenscheiding in Amerika: een enkele keer, zijdelings. Dus kunnen in de tentoonstelling weliswaar een paar thema’s aangegeven worden (straatscènes, strand en zee, museumbezoek, interieurs), maar al te veel houvast bieden ze niet. Meer dan door locaties of onderwerpen, wordt Erwitts oeuvre bepaald door de oogopslag.

In die oogopslag kan in Karlsruhe een man dromerig leunen tegen een etalage met een glimmende motorfiets. Kan in Moskou iemand opduiken uit de schaduw van een vrachtauto en kan een Frans jongetje met eenzelfde alpinopetje als zijn vader met twee stokbroden achterop de fiets zitten. Kan in de straten van Hoboken meer wasgoed wapperen dan in die van Napels en kan de allerkleinste chihuahua op stap met de allergrootste Deense dog.

Het is dezelfde liefdevolle oogopslag die tijdens de begrafenis van president John F. Kennedy geen historische gebeurtenis ziet, maar een radeloos om zich heen kijkende weduwe.

En die soms, heel soms, even een scherp randje heeft. In 1956 bijvoorbeeld in het Britse Brighton waar een societydame zich laat portretteren samen met haar hond. Twee verstrengelde witte wezens, hier een poot over een been, daar een hand over een kop, de hond die zijn tanden bloot gromt naar de camera. Die grimas lijkt op een glimlach en doet je beslist anders kijken naar die van zijn bazin. Ook die vorm van humor beheerst Erwitt dus, die waarbij het lachen je vergaat.