Geef ons maar 'plaissierreisjes'

Uit 139 reisverslagen zijn de veranderingen gedistilleerd die zich tijdens en na het tijdperk van de Grand Tour voltrokken.

Gerrit Verhoeven: Anders reizen? Evoluties in vroegmoderne reiservaringen van Hollandse en Brabantse elites (1600-1750). Verloren, 416 blz. € 32,-

Joris Oddens: Een vorstelijk voorland. Gerard Hinlopen op reis naar Istanbul (1670-1671). Walburg Pers, 272 blz. € 29,95

‘We gaan naar Rome’, klonk het vanaf de 16de eeuw in menig huisgezin van de Noord-Europese elite. Frankrijk, Italië en in het bijzonder Rome waren het reisdoel van de educatieve tochten waarmee jongemannen van gegoede komaf hun universitaire studie afrondden. Daar is veel onderzoek naar gedaan, maar de Vlaamse historicus Gerrit Verhoeven beschrijft in een originele studie waarheen de Europeanen nog meer vertrokken per schip, per koets of te paard en waarom men dat deed. Behalve voor de Grand Tour ging men ook op weg om diplomatieke en commerciële redenen of om op adem te komen in een verkwikkend kuuroord. De Grand Tour was een dure grap die langzaam maar zeker sleets werd en verdween. Dat is de boodschap van dit boek.

Verhoeven spoorde 139 reisverslagen op in archieven en bibliotheken, rubriceerde de inhoudelijke thema’s en bracht die onder in een database. Zo kon hij kwantitatieve vragen stellen; de antwoorden daarop verwerkte hij in zijn boek, waarvoor hij ter wille van de context en ter toetsing ook andere bronnen aanboorde zoals genealogische gegevens, tolregisters, rekeningen, pedagogische traktaten en reisgidsen.

Verhoeven nam geen genoegen met de krenten uit de reispap, de verhalen over de vermoeienissen van het reizen, het stof, de struikrovers, de vlooien in de herberg of met een opsomming van de highlights die men in populaire bestemmingen noteerde. We leren er veel van over reisdoelen, reisduur, reizigers en vooral hun veranderende belangstelling. De reizen werden korter in afstand en tijd. In plaats van anderhalf jaar Rome werden steden als Parijs en Londen populair en verder reisjes langs de Rijn, naar kuuroorden als Spa, Kleef of Aken, of gewoon lekker weg in eigen land. De educatieve reis maakte plaats voor ‘plaissierreisjes’ of ‘divertissante somertochtjes’.

De reizen werden ook goedkoper. Dit veranderend reispatroon is volgens Verhoeven niet het gevolg van een ‘democratisering’, want de reizigers kwamen uit dezelfde klasse. Maar die werd rijker en kon zich meer kleine reizen veroorloven. Het zou ook zo kunnen zijn dat de vele geïllustreerde boeken en prenten over Italië en de vele antiquiteiten en Italiaanse schilderijen in privéverzamelingen het werkelijke reizen naar Italië overbodig maakte.

De spreekwoordelijke spilzucht van de jongelieden waar hun ouders zo bevreesd voor waren viel wel mee. Ongeveer 70 procent van het reisbudget ging op aan vervoer, logies en de inwendige mens. Souvenirs als boeken, prenten en snuisterijen kocht men graag, maar nu ook weer niet zo exorbitant dat we, zoals bij Britse of Franse edellieden van conspicuous consumption kunnen spreken. Opvallend veel geld ging op aan herstelwerk van kledij en schoeisel, en aan reparaties van koetsen en paardentuig.

Een van de veranderingen die Verhoeven signaleert is het veranderende natuurbesef. Hield de renaissancereiziger van overzichtelijke natuur en nog het liefst van door mensenhand geschapen natuur, waar orde en symmetrie het beeld bepaalden, in de 18de eeuw raakte hij juist gefascineerd door het ongecultiveerde. Hij ontdekt de charme van alp en waterval en huivert voor gapende ravijnen en ondoordringbare wouden. Een gevoel voor het huiveringwekkende sublieme vervangt de hang naar de klassieke orde. Zo is dit ook nog een studie in veranderende esthetica.

Verhoeven schrijft levendig. De kwantitatieve analyse oogt mooi en hard, maar de auteur moet zelf toegeven dat hij wel eens twijfelt aan de representativiteit van zijn bronnen. Bij zijn berekening van de veranderende reisdoelen gaat hij uit van het aantal beschreven bladzijden dat in een reisverslag aan één plaats is gewijd. Dit lijkt mij een onjuiste methode. Teruggekeerde reizigers penden moeiteloos bladzijden over uit reisgidsen, zoals Verhoeven ook benadrukt. Beter zou zijn geweest de verblijfsduur in steden en regio’s vast te stellen en in de grafieken te verwerken.

De verste reizen liepen naar Spanje; een enkeling trok naar Zweden. Soms vloog er iemand uit de bocht, zoals in 1671 de Hoornse regentenzoon Gerard Hinlopen. Ook hij maakte een Grand Tour naar Frankrijk en Engeland. Jaren later wilde hij alsnog Italië bezoeken en stippelde een origineel parcours uit. Hij voer mee op een oorlogsschip naar Izmir, de Turkse stad waar zich een belangrijke Nederlandse handelskolonie bevond. Op de terugweg zou hij in Italië uitstappen en het land bereizen. Dat is er niet van gekomen, wel ondernam Hinlopen vanuit Izmir een reis naar Istanbul waarvan hij, thuisgekomen, een levendig verslag maakte dat in handschrift bewaard is gebleven. Joris Oddens heeft dit reisjournaal bekwaam uitgegeven, geannoteerd en ingeleid.

Hinlopen was een nieuwsgierig waarnemer, die zijn eigen ervaringen afwisselde met informatie die hij aan boeken ontleende of aan zegslieden wier woorden hij soms betwijfelt. ‘’k segge maar wat my verhaald is’, schrijft hij dan. De verschillende wijken in Istanbul komen aan bod, de belangrijkste gebouwen en hij weidt uit over de zeden en gewoonten van de Turken. Die komen er niet best af; ze zijn lui, wreed en onbetrouwbaar. Over de islam is hij neutraler dan menig auteur uit onze eeuw. Meer dan de Grand Tourreiziger, de Spaganger of de Rijntoerist heeft de avontuurlijke Gerard Hinlopen zich blootgesteld aan gevaren. En zoals de meeste reizigers in het boek van Verhoeven besluit hij, eenmaal terug in Hoorn, met een dankwoord aan God ‘voor syn genadige bewaringe voor myn persoon en alle voorspoet en gesondheyd’.