Geduldig handwerk

Bands met twintigers, als Low Anthem, Fleet Foxes en Bon Iver putten inspiratie uit de folk- en bluestraditie. „In de jaren zestig schreven mensen nog echte liedjes. Nu draait alles om sfeer en geluid.”

Eenling of gemeenschap? Bij de groep blijven of verder trekken? Kiezen voor het bekende, of nieuwe einders zoeken? Die vraag zit in het hart van de Amerikanen, en die vraag vindt zijn weerslag in de klank van de muziek. Het heeft geleid tot liedjes waarin de spanning tussen eenzaam en ‘samen’ wordt uitgedrukt.

De schoonheid van de muziek van bijvoorbeeld Bon Iver en Fleet Foxes draait voor een groot deel om deze tegenstelling. Hun liedjes zijn in de verte gebaseerd op de ‘klassieke’ Amerikaanse muziekstijlen als folk en country. Dat zijn genres die juist ontstaan zijn uit gemeenschapszin: op de waranda, na het werk, waar men musiceerde als vermaak, met als neveneffect dat het groepsgevoel ermee bevorderd werd. Denk aan de folk van Woody Guthrie en Pete Seeger, in het midden van de vorige eeuw.

Fleet Foxes en Bon Iver zetten subtiel een vraagteken bij de gemeenschapszin; in hun muziek is ook de hang naar eenzaamheid en verstilling te horen. Bij Bon Iver, die debuteerde in 2008, is dat letterlijk: de zanger trok zich in zijn eentje terug in zijn hut en maakte een liefdesverdriet-plaat. Maar eenzaamheid hoeft niet definitief te zijn; Bon Iver voert zijn prachtige, ijle nummers nu live uit met een band.

Fleet Foxes, wier in 2008 verschenen titelloze debuut-cd werd uitgeroepen tot ‘plaat van het jaar’, laten hun muziek bepalen door vijfstemmige zangharmonieën. Eén voor één vallen de muzikanten de falset van voorzanger Robin Pecknold bij, totdat een fijnzinnig weefsel van mannenstemmen ontstaat. Pecknold en de zijnen zingen hymne-achtige liedvormen, waarbinnen soms één stem zich losmaakt, als een schaap dat de kudde kwijtraakt – of de rug toekeert.

De muzikanten van Fleet Foxes zijn allen begin twintig, Bon Iver is 27. Ze spelen goeddeels op akoestische instrumenten, en laten zich inspireren door het verleden. Het heden is ze te slap, te snel, te oppervlakkig: ze luisteren liever naar Bob Dylan, Hank Williams, Woody Guthrie of Leadbelly, ze lezen Jack Kerouac. Dit zijn jonge mannen met oude ideeën.

Dat geldt ook voor het trio Low Anthem, dat afgelopen zomer zijn tweede cd uitbracht, Oh My God Charlie Darwin, en volgende week zal optreden tijdens het Crossing Border-festival in Den Haag. Onlangs waren Jeff Prystowsky (24), Ben Knox Miller (25) en Jocie Adams (24) in Amsterdam, voor een concert. ’s Middags, wachtend op de soundcheck, zit zanger/voorman Ben Knox Miller tussen Adams en Prystowky, achter een stuk Boston cheesecake en het ‘grootste glas bier’ dat het café voorhanden had. Voor de komst van klassiek componiste Jocie Adams, twee jaar geleden, was The Low Anthem een duo. Miller ziet de waarde van soberheid: „Juist de lege plekken zijn van belang in onze muziek”, zegt hij. Hij heeft het over de implicaties van meer muzikanten op één podium, hoe de ‘ruimte’ in het gedrang komt als er te veel mensen bij komen. Met zijn drieën is het een subtiel spel van inmenging en afstand houden. Niet toevallig verduidelijken Miller en de zijnen hun muzikale kwesties met metaforen uit de sport – als voetbal en basketbal – ook zo’n terrein waar team en individu zich moeten verenigen.

Samen blues- en folkliedjes spelen is voor veel Amerikanen ongeveer hetzelfde als voetbal of honkbal, zegt Adams. „Het is een gemeenschappelijk tijdverdrijf, iedereen doet het.” De nummers van Low Anthem zijn gebaseerd op de oer-traditie van country, folk en blues. De instrumentatie wisselt per song en ook de manier van zingen verandert van uitbundig rauw tot ijl en ingetogen. Maar de nummers hebben één ding gemeen: een kern van stilte. Ook in het tumult is nog bezinning mogelijk.

De band verandert per nummer van bezetting. Om de beurt laten Miller, Adams en Prystowsky de koebellen, klarinet, viool, banjo, mandoline, Tibetaanse klankschalen, tongue drum, hoorn en staande bas door hun handen gaan. „Muziek maken is bij ons een soort stoelendans”, aldus Adams.

De zangstem van Miller varieert van rasperig tot engelachtig. Dat komt doordat hij in de oefenruimte graag zijn helden nadoet, zegt hij. „Voor de lol, en als onderzoek: hoe krijgt Leonard Cohen dat geluid, of: hoe doet Dylan dat. Ik ben negen dagen op zoek geweest naar de manier waarop Dylan de zangpartij van ‘You Belong To Me’ voor elkaar kreeg. Dat nummer zong hij in de jaren negentig. Alle volheid en kleur was verdwenen, zijn stem was zo goed als kapot. Toch vond hij ergens in zijn keel nog een plekje om te laten meetrillen, en hij produceert een klank, die nog altijd hartverscheurend mooi is. Uiteindelijk is het me gelukt om dat plekje op te speuren. Zo leer ik hoe mensen hun stem plaatsen.”

Dat Low Anthem steeds verfijndere liedjes ging schrijven, hing samen met de komst van de klassiek geschoolde Jocie Adams. Adams heeft oog voor detail. „Toen ik erbij kwam, was ik nog niet vertrouwd met de vorm van het popliedje. Ik denk in korte sequenties. Daar heb ik me bij onze liedjes ook mee beziggehouden.” Miller: „Dat geduldige handwerk, die aandacht voor de nuances, is bij veel muzikanten nu in onbruik geraakt. Het gaat te vaak om het grote geheel.”

Low Anthem heeft haar oriëntatie in het verleden. ‘Working backwards’ noemt Miller dat. Waarom? „In de jaren zestig schreven mensen nog echte liedjes. Nu draait alles om sfeer en geluid. En waar zijn de teksten gebleven? Ik hoor nooit meer een echt verhaal. Ik vind het belangrijk om de mensen iets mee te geven. Uiteindelijk wil ik toch iets wezenlijks uitrichten met mijn muziek: ik wil de mensen helen.”

In directe bewoordingen zingt Miller over troost en over het verlangen naar een thuishaven, in nummers als ‘Cage The Songbird’ en ‘The horizon is a Beltway’. Voor het lied ‘Home I’ll Never Be’ baseerde hij zich op een liedtekst uit het boek On The Road, van Jack Karouac. Het nummer is een lange opsomming van plaatsnamen, met als conclusie ‘but home I’ll never be’.

De avond na ons gesprek zal de band optreden in De Duif, een kerk in Amsterdam, waar de uitverkochte zaal muisstil hun verrichtingen zal volgen.

Nog niet zo lang geleden toerden Miller en bassist Prystowsky avond aan avond langs kroegen en bars. Het was de beste voorbereiding die je als livemuzikant kunt hebben, zegt Prystowsky. „Als je muzikant wordt, denk je eerst nog dat mensen belangstelling voor je hebben. Dat leer je wel af als je in bars optreedt: de tv staat keihard, iedereen staat dronken door elkaar heen te schreeuwen, halverwege begeeft de installatie het, de mensen joelen je van het podium, en na afloop zegt de kroegbaas: ‘Trouwens, jullie krijgen geen geld.’ En dat moet je nog drie uur terug naar huis rijden.”

Prystowsky vergelijkt zichzelf met Braziliaanse jongens die leren voetballen op een trapveldje in de favela. „Zij kunnen uiteindelijk in alle omstandigheden spelen, ook met slechte ballen of op hobbelig gras. Door dat hobbelige gras zullen ze juist hun voetenwerk verbeteren. Dat geldt voor ons nu ook, wij zijn overal op voorbereid. We zijn blij als mensen met aandacht luisteren. Maar we kunnen ook in de beroerdste situatie nog uit de voeten.”

Oh My God Charlie Darwin is uit bij V2. Low Anthem treedt op: 20/11 Crossing Border, Den Haag.