Een stormachtige verhouding

„Geschiedenis is in de mode, als kermisattractie.” In haar Huizinga-lezing zal hoogleraar Marita Mathijsen spreken over historische sensatiezucht. „Mijn provocaties zijn bewust en ze komen voort uit echte woede.”

Marita Mathijsen, hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde, was binnen geschreden (ja, geschreden) te midden van haar collega’s. Een stoet in zwarte toga’s. Ze ging met pensioen, daarom stond ze op het spreekgestoelte in de aula van de Universiteit van Amsterdam. Ze keek het publiek aan, dat was uitgenodigd voor haar afscheidscollege. Ze ademde in, ze ademde uit. Ze zei: „Dit is een openbaar hoorcollege. En een hoorcollege geef je niet in toga.”

Zij trok haar toga uit.

Jammer dat niet alle hoogleraren in haar publiek hetzelfde deden. Maar misschien is dat te veel gevraagd.

Drie dagen later grijnst Marita Mathijsen tevreden. „Goed hè. Ik moet met pensioen, maar ik weiger afscheid te nemen. Pensioen is voor als je moe bent. Ik ben niet moe. Juist niet. Ik heb met spiedende ogen naar mijn collega’s gekeken: wanneer takelen ze af? Meestal worden ze rond hun 75ste minder, eerder is er weinig mis. Ik wil de fakkel doorgeven. Is er een goeie jonge docent 19de eeuw aangesteld, dan ben ik weg. Tot dan ga ik door als onbetaalde kracht, met een nulaanstelling.”

Ik heb nog nooit een hoogleraar op het spreekgestoelte een toga uit zien trekken.

„Ik houd van retorische en dramatische middelen, meestal om de gedachte te bestrijden dat wetenschap droog is. Naar mijn college over de 19de-eeuwse liefdadigheid neem ik elk jaar een paar daklozen mee. Aan het einde van het college zeg ik: zullen we deze jongens een mooie dag bezorgen? Kom, we maken ze los, we kopen allemaal een daklozenkrant. Dat is leuk voor die kerels. Maar het illustreert ook hoe de 19de-eeuwse schrijvers aan liefdadigheid deden met hun uitgaafjes van gelegenheidsgedichten, die per velletje werden verkocht ten bate van de armen.

„Bij het college over rijk en arm in de 19de eeuw laat ik het verschil tussen rijk en arm zien, door te koken wat er bij Van Goghs Aardappeleters op tafel staat: bak aardappelen, potje chicoreikoffie, mosterd. We eten uit de pan, met één vork. Daarnaast dek ik een burgertafel, met tafellinnen en zilver. Ik serveer een flinke karbonade aan een stuk, stoofpeertjes, aardappelen, beetje sla. Griesmeelpudding. Ik zorg ervoor dat ik ’s avonds thuis gasten heb, want het gaat nooit op.”

In uw schotschrift ‘De afwezigheid van het verleden’ betreurt u dat wij ons verleden niet koesteren. Is geschiedenis niet juist erg in de mode?

„Ja, als kermisattractie. Bij het Dickens-festijn in Deventer loopt iedereen in dickensiaans kostuum. Het verleden wordt gedegradeerd tot volksvermaak, waar de mensen alleen op af komen omdat er veel andere mensen zijn. Het gaat om winkelen en vertier, niet om het besef dat je plaats in moet ruimen voor het verleden.

„Het verleden hoort erbij, het hoort bij ons. Ik wil het immateriële in stand houden via de materie. Dat grenst aan religie, dat besef ik wel, en dat houdt gevaren in.”

En dan zeggen ze in Deventer: Dat doen we toch? U kookt Van Gogh-eten voor uw studenten en wij lopen in die historische kostuums.

„Ze halen de dingen door elkaar. Wat heeft Dickens met Deventer te maken? Niets. Daar zal mijn Huizinga-lezing over gaan. De titel van de lezing is: De historische sensatiezucht – geïnspireerd door Johan Huizinga’s begrip ‘de historische sensatie’. Ik ken het gevoel dat hij beschrijft: je denkt contact te hebben met het verleden.

„De hedendaagse aandacht voor het verleden lijkt meer op ramptoerisme. Het aanstaande Nationaal Historisch Museum is zoiets. Het richt zich alleen nog op de gevoelsmatige kanten van de geschiedenis, op wat we herkennen en wat er nog bij ons hoort. Dat zo’n museum ook is bedoeld om de kennis te vergroten, wordt naar het tweede plan geschoven.’’

Het Nationaal Historisch Museum moet schoolklassen behagen, bezoekers die weinig tot niets weten.

„Je moet niet door je knieën gaan, je moet kinderen optillen. Het verleden moet een deel van je worden. Mij interesseert dat de sensatie van het verleden er nog is. Ik zag een student een sigaret uittrappen op de vloer van het Bungehuis [het monumentale gebouw uit 1934 in het centrum van Amsterdam, waar de Faculteit Geesteswetenschappen van de UvA is gevestigd, red.]. Ik heb hem terecht gewezen en gezegd: dat doe je niet op historisch marmer. Wie in een stad als Amsterdam of Delft loopt, loopt ook in een museum.”

Hoe sterk hangen geschiedenis en literatuur samen?

„Literatuur is een travestie van maatschappelijke ontwikkelingen. Ik zoek naar wat literatuur zegt over wat zich heeft afgespeeld. De 19de-eeuwse dominee-dichters hadden een behoorlijk inzicht in wat er zich afspeelde. Er is een ongepubliceerd verhaal van Nicolaas Beets over een vrouw die afgeranseld wordt door haar man. Ik lees dat en denk, ja, die beschreef wat hij zag.”

Wie is de hedendaagse Nicolaas Beets?

„Dimitri Verhulst, bijvoorbeeld. Zijn roman De helaasheid der dingen blijft dicht bij het milieu dat hij zelf heeft beleefd. Hij heeft het overdreven, zoals dat in de 19de eeuw ook gebeurde. Of Jan Siebelink met zijn Knielen op een bed violen – dat is ook een realistische beschrijving van wat hij heeft gezien en meegemaakt.”

Anderzijds vertelt de literatuur ook veel niet.

„Inderdaad. Zoals de vrouwelijke regelmaat, die zie ik in de literatuur van de 19de eeuw niet terug, ook niet bij vrouwelijke schrijvers. Ik ben er nog steeds naar op zoek. Ze moeten er symbolen voor gebruikt hebben, die ik nog niet begrijp. Het enige is die vrij bekende toespeling van Alexandre Dumas: la dame aux camélias, de courtisane die altijd een witte camelia droeg en vijf dagen per maand een rode, ‘en niemand wist waarom’.

„Er is wel eens tegen mij gezegd: je bent niet feministisch, maar ik ben dat wel. Ik verplaats me altijd in hoe de vrouwen in het leven stonden. Ik probeer altijd hun mentaliteit te achterhalen. De vrouwen hadden in de 19de eeuw een harder leven dan de mannen. Ze leden het zwaarst onder de armoede en de povere gezondheidsomstandigheden.

„Literatuur en geschiedenis gaan in mijn ogen altijd over mensen. De editiewetenschappen, waar ik ook over schrijf, vergelijken de verschillende versies van een literair werk. Waarom schrapte een schrijver iets, waarom is er een drukfout gemaakt? Dat lijkt droog, maar fouten zijn lang niet altijd technisch. De loodzetter pakte een letter uit het verkeerde vakje. Dan kun je zeggen: ach, verkeerd gegrepen. Maar je kunt ook nadenken. Hoe waren de arbeidsomstandigheden? Was het een donkere winterdag? Was die zetter misschien vermoeid? Had hij een lichte loodvergiftiging? Ik zoek naar de menselijke factoren, dat is ook een waarde van wetenschap.

„Ik ontmoette een promovendus die zich bezighield met de toekomstvisies tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het was maar taaie materie, vond ze. Ik vroeg: heb je je de omstandigheden gerealiseerd waaronder die visies geschreven werden? Verduistering. Slecht licht. Halfvolle maag. Niemand mocht weten dat dit geschreven werd. De bezetter stond überhaupt geen toekomstvisie toe. Je was totaal illegaal, je kon er niet over praten. Zou er een inval komen, dan moest je alles wat je had geschreven verstoppen of vernietigen. Dat zijn gegevens die bij het onderzoek behoren.”

En wie de wetenschap dient moet zich inspannen om goed, liefst literair verantwoord, te schrijven, bepleitte u tot ergernis van een aantal collega’s.

„Ik vind het belangrijk dat wetenschap stijl heeft. Er zijn proefschriften die maar door tien mensen gelezen worden, dat is toch doodzonde? Als mooi onderzoek mooi geschreven is, dan bereikt het veel meer mensen.

„Taal is geen waardevrij medium. Dat je in de wetenschap beducht bent voor een dubbele boodschap kan ik me goed voorstellen. Die vermijd je juist met stijl, of je bouwt hem doelbewust in. Maar een wetenschapper moet ook uitstralen dat hij niet helemaal zeker van zijn zaak is en dat kun je weergeven met taal. Er zijn mensen die dat niet begrijpen, of die alleen maar de nadruk leggen op mijn licht vermogen tot exuberantie. Ik bedoel dat taal een ingewikkeld instrument is. Taal heeft veel lagen. Dat moet je niet verhullen.”

Loopt uw stijl de serieuze wetenschapper wel eens voor de voeten?

„Mij heeft het nooit gehinderd. Naar de letter, het handboek voor editiewetenschap dat ik heb geschreven, zette ik anders op, dat is nu eenmaal een handboek. Maar het heeft wel mijn stijl.”

Mathijsen haalt het boek. Een indrukwekkend ogende pil, zakelijk vormgegeven. Ik sla het lukraak open.

Het ziet er beheerster uit dan uw andere werk.

„Beheerst is een volkomen verkeerd woord. Al mijn boeken zijn beheerst. Mijn hartstocht is gecontroleerde hartstocht. Een retorisch middel om de opvattingen over te brengen die ik de moeite waard vind. Naar de letter is bijna een gebruiksaanwijzing, en in een gebruiksaanwijzing kun je geen hartstocht gebruiken. Maar ik bedien me wel van voorbeelden die uit het menselijk leven gegrepen zijn.”

U heeft het hier over „een fikse misrekening”.

„Ja, woorden als ‘fiks’ gebruikt een wiskundige niet…”

…en dat is dan zielig voor de wiskundige.

„Vind ik wel.”

We bladeren door. Ik zie de afbeelding van een handschrift: dwangmatig regelmatige krassen, scherpe, op elkaar gedrongen letters. Mathijsen: „O ja, dat handschrift van Potgieter. Waarom schrijft iemand zo onleesbaar? Omdat hij eigenlijk bang is om gelezen te worden?”

Nu valt het boek open bij een analyse van de zelfcensuur van Lodewijk van Deyssel in zijn roman Een liefde (1887). Van ‘gewone meiden’ maakte hij ‘andere vrouwen’. Het woord ‘geilheid’ verving hij door ‘erg naar haar voelen verlangen’. Mathijsen zegt tevreden: „En iedereen maar denken: doodsaai, die varianten.”

In een column schreef u een intrigerende zin: ‘Ik kan het niet hebben dat anderen hetzelfde mooi vinden als ik…’

„…en dat is in totale botsing met mijn lust om studenten op te leiden, vind je.”

Ja.

„De oplossing is dat je gezamenlijk gegrepen bent door de 19de eeuw en dat iedereen zijn eigen favoriet moet gaan ontdekken. Ik heb veel favorieten, Van Lennep, Kneppelhout, De Génestet, De Schoolmeester natuurlijk, Bosboom-Toussaint, Bilderdijk…”

Klinkende namen die u altijd zult moeten delen.

„Die tegenstrijdigheid lost zich weer op. Het allereerste gevoel is: dat is van mij. Daar stap ik dan overheen, want ik ben toch de onderwijzer die een groep voor zich krijgt en denkt: eens kijken hoe ik ze meesleep. Lukt dat, dan ervaar ik een wonder.”

De 19de eeuw wordt nog vaak weggezet als burgerlijk en benepen, inclusief de kunsten.

„Dat is aan het veranderen, hoor. Daar heb ik bij de jongelui minder last van. Maar inderdaad, dat negatieve beeld bestaat. In de literatuur is dat aan de Tachtigers [de literaire Beweging van Tachtig, 1880-1894, red.] te wijten. De inleiding van Willem Kloos op de gedichten van Jacques Perk is één bonk retoriek: die poëzie van ons is geen zachtogige maagd, maar gewelddadig, bruisend, vlammend. Dat sloeg aan in de domineestijd van de 19de eeuw die, dat is een feit, erg lang geduurd heeft.

„Het nationalisme, de nieuwe burger, het vestigen van een nieuwe maatschappij, het beleefde al een hoogtepunt in 1800 en het bleef maar doorgaan. De literatuur was dienstbaar, met gedichten over liefdadigheid en gedragsregels. Tja, een gedicht over het toegeven aan hartstocht is spannender.”

U stelde dat Hendrik Tollens zich als dichter kan meten met Victor Hugo, de belangrijkste schrijver en dichter van 19de-eeuws Frankrijk.

„Ik overdrijf natuurlijk wel eens. Dat was een provocatie, maar mijn provocaties zijn bewust en ze komen voort uit echte woede. Dat de muzikaliteit van Tollens’ poëzie over het hoofd wordt gezien, vind ik onverteerbaar. Op mijn afscheid droeg mijn dochter een gedicht van hem voor. Het was of ik een symfonie hoorde.”

In een van uw columns verzucht u: Als de 19de eeuw een mens was en ik een man zou ik een stormachtige verhouding met haar aangaan. Waar draait de verhouding op uit?

„Op een huwelijk? Dat is in iedere geval wat je dan wilt. Je wilt geen onenightstand. Zo begin je misschien wel, maar zo moet het niet eindigen. Dus ja, toch wel dat huwelijk.”

Bent u dat huwelijk inderdaad aangegaan?

„Ja. Ik ga wel eens vreemd, met het werk van Harry Mulisch. Maar dan zeg ik dat Mulisch eigenlijk een 19de-eeuwse schrijver is, met het vertelvermogen van die tijd. Een speler, net als Multatuli.”