Een ster in het smartlappencircuit

Arjan Visser: Paganinipark. De Arbeiderspers, 208 blz. € 17,95

In zijn eerste twee romans, De laatste dagen (2003) en Hemelval (2006), bleef Arjan Visser in de buurt van het journalistieke werk waarmee hij zijn reputatie vestigde: de interviewserie De tien geboden (Trouw), waarin hij mensen nadrukkelijk en diepgaand aan de tand voelde. De laatste dagen (met een afbeelding van Tolstoj op het omslag) portretteerde een arts in sferen van godsdienstwaanzin, Hemelval was een mooie studie van de zondeval aan de hand van een al te aardse duivenmelker en een vrouw bij wie het verlangen over de rand gutste.

In Vissers derde roman Paganinipark is de religieuze thematiek – niet te verwarren met een religieuze boodschap – naar de achtergrond gedrongen. Aanvankelijk lijkt hij zich tot het magisch-realisme bekeerd te hebben, met een verslag van de paniek die de jonge Angelina bevangt wanneer zij ontdekt dat haar zoon Niccolò een dag later wordt geboren dan een helderziende grootmoeder had voorspeld. ‘Che cosa un dolore. Dispiaci per me’, citeert Visser de geplaagde moeder die zich als een wandelend operettelibretto manifesteert. Ze weet zeker dat haar kind – verwekt door een Nederlandse dronkelap met de naam Stokvis – nu voor het ongeluk is geboren.

Inderdaad zal Nicky Stokvis maar 21 jaar worden. Op die leeftijd is hij wel al een ster in het smartlappencircuit, waar hij met de veel oudere en veel minder getalenteerde Gabriël Wezeman triomfen viert als het duo De Paganini’s. Dat is genoemd naar het park naast café Visscher (let op die naam!), waar Wezeman kleine Nicky op een avond de sterren van de hemel hoort zingen. Het park is ook de plaats waar Nicky een van zijn avonturen met mannen in de bosjes met de dood moet bekopen. Wezeman, ‘de oude Paganini’, wordt verdacht van de moord, maar vrijgelaten. Het grootste deel van de roman volgt zijn wederwaardigheden, voor en na zijn aanhouding.

Net als in Vissers eerdere werk spelen zondebesef en onderdrukte seksualiteit een belangrijke rol in Paganinipark, maar Visser heeft deze roman willen schrijven in de sferen van operette en smartlap: het boek giert van de gevoelens, zonder dat het maar een moment onder de oppervlakte weet te komen. Visser, die zich eerder een begenadigd observator toonde, benoemt ditmaal alles: ‘Gabriël had eens iemand horen zeggen dat hij Nicky’s voeten wilde kussen, en hoewel hij zelf die aandrang niet voelde, had hij niet opgekeken van dit verlangen.’

Visser voert zijn tell, don’t show zo consequent door dat je het idee krijgt dat het opzet is. ‘Het was te dik aangezet allemaal, te gezwollen, dat wist hij zelf ook wel’, schrijft hij over Gabriël. Maar zelfs als hier een gedachte achter zit: voor de lezer is het amper vol te houden. Zeker als er aan het eind van de roman – die je ook zou kunnen karakteriseren als een zeer slappe thriller – nog een officier van justitie optreedt om één en ander een bijzonder drakerige afsluiting te geven. De man heet Drake, trouwens.

Een laatste betekenisvolle naam in deze pijnlijke mislukking is die van het hotel waar Gabriël wekelijks terugkeert om de liefde te bedrijven: De duif. Die doet denken aan Vissers vorige, wel geslaagde roman. Die ging over het onvermogen van de mens om, zoals een postduif, de weg terug naar huis te vinden. Hopelijk schuilt er een duif in Arjan Visser.