De tsaar betaalde zijn begrafenis

Een biografie kan onopvallend zijn, en toch baanbrekend. Lees de nieuwe beschrijving van Tsjaikovski’s leven en werk. Zijn karakter doet er niet meer toe; zijn werk mag gloriëren.

Roland John Wiley: Tchaikovsky. Oxford University Press, 546 blz. € 32,50

Ogenschijnlijk is dit een onopvallende biografie. Ze heeft, evenals andere delen uit de reeks componistenbiografieën in de serie Master Musicians, de traditionele opzet van leven en werk. Het boek volgt chronologisch de levensfases die ieder twee hoofdstukken krijgen: het eerste over het leven, het tweede over het werk. Even traditioneel is Wiley’s besluit om bij de levensbeschrijving de context zoveel mogelijk te vermijden en om bij de werkbeschrijving zich vrijwel te beperken tot veelal korte analyses en zich nauwelijks te wagen aan een typering van een stijl die het gehele volwassen oeuvre domineert. Nog traditioneler is Wiley’s streven, uitgesproken in de inleiding, om leven en werk zoveel mogelijk los van elkaar te zien. En zoals te verwachten bij deze serie is de stijl schitterend.

Niettemin is het een baanbrekend boek, al moet men de literatuur kennen om dit te zien, te meer daar Wiley tot vlak voor het einde nauwelijks de moeite doet zich nadrukkelijk te onderscheiden van zijn voorgangers. De afgelopen dertig jaar was Tsjaikovski een uiterst dankbaar onderwerp om redenen die alles zeggen over die dertig jaar en weinig over de componist.

Tsjaikovski (1840-1893) was homoseksueel in een tijd waarin dit fataal kon zijn voor je bestaan en waarin geheimhouding een tweede natuur was. Die recente opvatting maakte dat de componist niet alleen alsnog zijn ‘coming out’ beleefde, maar ook dat zijn onverwachte dood, kort na de première van zijn uitgesproken tragische Zesde symfonie, luidkeels in verband werd gebracht met de vermeende verschijning van de componist voor een tribunaal wegens seksuele omgang met een hoger geplaatste. Om de componist een publieke ontering te besparen zou hij gedwongen zijn tot zelfmoord, een verhaal dat Peter Schat en Gerrit Komrij zelfs inspireerde tot het schrijven van hun opera Symposion.

Wiley veegt met deze roddel de vloer aan. De componist wist van meet af aan dat hij homoseksueel was, zijn omgeving wist het en vrijwel zijn gehele leven was hij hieraan trouw, behalve toen hij om duistere redenen plotseling trouwde met een nymfomane, waarna het huwelijk zoals te verwachten was een mislukking werd. Met zijn geaardheid hadden de componist, die van hoge Russische komaf was en zijn gehele leven in de beste kringen verkeerde, en zijn omgeving geen enkele moeite, zolang hij er maar discreet mee omging. De intimi wisten het en sommigen merkten het, dat was voldoende. Privé noch publiek voelde hij de behoefte tot ‘coming out’.

Wat de naaste getrouwen de meeste zorgen baarde, was veeleer zijn drankpatroon. Evenmin voelde hij de behoefte zich uit te spreken over de tsaar, Dostojevski en politiek. Zijn fascinatie voor de Russische kerkmuziek waaraan hij een draai wilde geven die de kerkelijke autoriteiten niet konden verbieden, had geen religieus maar een muzikaal motief. Zolang hij nog niet helemaal kon leven van en voor zijn kunst (tot zijn 37ste), moest hij studeren (rechten en muziek) en daarna lesgeven (aan het Moskous conservatorium).

Maar toen hij eenmaal als componist zijn naam had gevestigd en mevrouw Von Meck, de weduwe van een rijke industrieel, zich aanbood als zijn mecenas, kon hij leven en schrijven zoals hij wilde. Ook al gaf zij de componist de mogelijkheid geen concessies te hoeven doen aan wie of wat ook, hij schreef muziek waarmee hij tijdens zijn leven ongekend populair was, niet omdat hij bewust inspeelde op het heersende idioom, maar omdat hij deze taal grotendeels zag als zijn taal.

Tsjaikovski werd muzikaal volwassen in de jaren zestig toen in het Russische muziekleven een felle strijd woedde over de vraag ‘Wat is er Russisch aan Russische muziek?’ Moessorgski zocht zijn heil en inspiratie bij de Russische volks- en kerkmuziek, Glazoenov en later Rachmaninov vonden het meer bij de Duitse vormentaal. Tsjaikovski was een klassiek geschoold componist (met als grootste voorbeeld Mozart), maar lardeerde die vormen met een Frans gevoel voor zwier en elegantie en met een Russisch getinte melodiestijl.

Desondanks hebben na 1900 van zijn meer dan honderd werken vooral een handvol lange en uiterst pathetische en theatrale stukken de grootste aandacht getrokken. Wiley herstelt de balans door, veel meer dan zijn voorgangers, ruime aandacht te geven aan de talloze korte en veelal minder pretentieuze stukken. Vooral de minder bekende opera’s, de liederen en kamermuziekwerken profiteren hiervan. Ze bezitten een eenvoud en directheid die hen brengen in de buurt van salonmuziek ook al maakt de geraffineerde verfijning die stukken daar te goed voor, terwijl omgekeerd zijn periodieke neiging tot ambitieuze, grootschalige werken geen afbreuk doet aan zijn populaire inborst.

Het liefst was hij naar eigen zeggen een componist in de stijl van Mascagni en Bellini die uitstekend kon leven met zijn natuur die hij zelf als tegennatuurlijk bestempelde. Even onproblematisch was het voor hem deze eenvoud en zekerheid te verenigen met zijn reislust en snobisme. Zijn faam tijdens zijn leven was ongekend, na zijn dood vonden talloze herdenkingen plaats waarvoor duizenden tevergeefs een kaartje aanvroegen en de eerbewijzen gingen zelfs die voor een staatshoofd te boven. Zijn begrafenis in Sint Petersburg werd betaald door de tsaar.

Pas in het laatste hoofdstuk komt de polemist in Wiley expliciet aan het woord. Speculaties omtrent Tsjaikovski’s doodsoorzaak met een onbewijsbaar scandaleus tintje worden rigoureus opzij gezet. Liever de onzekerheid dan de roddel. Het meest opvallende aan de biografie is dat na dertig jaar deze componist nu een onopvallende biografie kan krijgen, alsof zijn karakter geen object van discussie meer is en zijn volledig oeuvre in alle glorie zal zegevieren. Na de mode heerst wederom de nuance.