Begin

Voor mijn deur zijn mannen al weken met kruiwagens zand aan het verplaatsen. Gisteren werden er stapels stenen geleverd. Om de zes, zeven meter een stevig blok. Vanmorgen zag ik een jongen op handen en knieën in het zand. Zijn maat leegde een kruiwagen met bakstenen vlakbij het hoofd van de jongen, die meteen begon met het weven van stenen. Razendsnel legde hij de ene steen na de andere, en vormde een visgraatpatroon. Langzaam maar zeker ontstond er een stukje straat, een schoon stukje nieuwe wereld. Als pas gevallen sneeuw, nog nooit betreden.

Ik heb zelden zo’n mooie handeling gezien als het leggen van stenen. Zo eenvoudig, zo sierlijk, zo functioneel. Ik kon mijn ogen niet van het stenen weven afhouden.

Ik dagdroomde dat ik stenenwever was. Wat een prachtig vak! Bij het ontwaken wist ik precies wat me te doen stond. Ik hoefde niets te verzinnen. Ik nam een stevig ontbijt en ging aan het werk. Ik leefde steen voor steen.

Ik zag mijn verlangen om in een ander leven te stappen bijna concreet worden in de schilderijen van Sara van der Heide, te zien bij Galerie Diana Stigter in de tentoonstelling Notations. Van der Heide toont houterig geschilderde plekken en objecten, situaties, en vooral: gedachten. Of eigenlijk, de voorbode van de gedachte. Kijken naar haar werk is als belanden in een situatie die je je nog eigen moet maken. Het doet mijn gedachten graaien naar aanknopingspunten, maar het blijft angstvallend leeg. Het is de leegte van niet-geloven. Niet geloven wat religie, politiek en kunst beloven. Omdat ik deze leegte herken, geeft dit werk, dat weigert houvast te geven – paradoxaal genoeg – iets om aan vast te houden.

Op Voting Booth (2008) is een drietal aaneengeschakelde stemhokjes te zien. Het zouden ook kleedkamers kunnen zijn. Eenvoudig in elkaar getimmerde ruimtes die af te sluiten zijn met een gordijn. Achter de hokjes worden banen blauw en rood licht geworpen, als van schijnwerpers. Dit licht geeft de lulligheid van de hokjes iets theatraals. Hier staat iets te gebeuren.

Wat er wordt aangekondigd, is niet duidelijk. Een nieuwe wereld misschien, waar degene die in zo’n hokje zijn stem doet gelden, op hoopt. Ik houd de mogelijkheid open dat ik zelf in het hokje stap, om een belangrijke beslissing te nemen. Wat ik ga beslissen weet ik nog niet. Maar ik ga me er voor omkleden. Ik sluit het gordijn en trek een nieuw lichaam aan. De schijnwerpers met hun kleuren weten het al.

Alle werken kondigen het aan: er gaat iets beginnen. Iets groots en belangrijks dat mijn leven ingrijpend zal veranderen. Ik weet het zeker wanneer ik de galerie verlaat. Ik weet het nog wanneer ik naar huis fiets en, bij de stratenmakers aangekomen, afstap om wat vragen te stellen.

Net wanneer ik overweeg mijn toekomstige collega’s koffie aan te bieden, laat de jonge stenenwever een baksteen vallen op de tenen van zijn collega. „Val dood!” roept hij daarbij met een ernst die de stad doet verstommen. Er gebeurt heel lang niets. Zelfs de vogels die boven de kade zweven, hangen stil in de lucht.

Tergend langzaam wrikken de tenen van de man met de kruiwagen zich onder de steen vandaan. „Het moet ook altijd op jóúw manier! Kankerkop!” brult hij.

„Zak in de stront!”

Stilletjes ga ik mijn huis binnen en wacht op een ander begin.