Zo waarlijk helpe mij God/Allah almachtig

Politici en ambtenaren moeten voor zij in functie treden een ambtseed afleggen.

Mogen daarbij ook anderen dan de christelijke God worden aangeroepen?

Mag een moslim de eed op Allah afleggen in plaats van op God? Nee, zegt een deel van de Tweede Kamer. Als een moslim niet de formele, christelijke eed – „Zo waarlijk helpe mij God almachtig” – wil uitspreken, kiest hij maar voor de belofte. Deskundigen noemen dit „onhoudbaar”, „merkwaardig” en „onzin”.

De Kamer wilde vorige week vooral een einde maken aan de onduidelijkheid die er nu heerst. De formuleringen van de eed en belofte zijn voor ambtenaren bij provincies en gemeenten niet wettelijk vastgelegd, waardoor er verschillen zijn. Voor rijksambtenaren is de formulering wel vastgelegd. Zij beloven hun functie naar behoren uit te voeren.

CDA diende een motie in waarbij de regering wordt opgeroepen om de formulering voor alle ambtenaren wettelijk vast te leggen en werd gesteund door SGP, ChristenUnie, VVD, PVV en Verdonk.

Daarbij werd duidelijk dat de christelijke partijen vinden dat alleen de christelijke eed mogelijk moet zijn. Kamerlid De Pater-Van der Meer (CDA): „Het is niet de bedoeling dat allerlei religieuze varianten gehanteerd kunnen worden. Dé religieuze variant in Nederland is de eed.”

Kamerlid Kees van der Staaij (SGP): „Er is een wildgroei aan eedformules ontstaan, maar wij hebben geen behoefte aan die multiculturalisering. Het staat iedereen vrij om voor de belofte in plaats van de eed te kiezen, dus niemand komt in de knel met zijn geweten.”

Deskundigen verwerpen deze redenering. Waarom hebben christenen wél het recht om de eed af te leggen op de God in wie zij geloven, en aanhangers van andere religies niet?

„De Staat mag niet één godsdienst voortrekken”, zegt Jit Peters, hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Universiteit van Amsterdam. „Dat is discriminatie.” Dat zegt ook Andreas Kinneging, hoogleraar rechtsfilosofie aan de Universiteit van Leiden: „Het is onhoudbaar om alleen de christelijke eed toe te staan”, zegt hij. „Of iedereen mag de eed zweren op zijn eigen god, of we schaffen de eed af en laten iedereen de belofte afleggen.”

Het gaat om het gelijkheidsbeginsel, benadrukken beide hoogleraren. Het is vergelijkbaar met de vrijheid van onderwijs: je kunt moslims niet verbieden een islamitische school te beginnen als christenen hun eigen scholen hebben.

Behalve een juridische is het ook een morele kwestie, zegt Fokko Oldenhuis, bijzonder hoogleraar religie en recht aan de Rijksuniversiteit Groningen. „Ik vind juist dat je vanuit christelijk perspectief iemands roep om Allah niet moet blokkeren. Wat je zelf wenst, behoor je ook anderen niet te weigeren.”

Hij vindt het „merkwaardig” dat CDA, SGP en ChristenUnie moslims verwijzen naar de belofte. De christelijke partijen zouden hiermee voorbijgaan aan de gevoelens van niet-christelijke gelovigen. „Formeel zijn de eed en de belofte gelijk, maar voor deze mensen is de belofte toch een mindere variant, dunkt me.”

Maurits Berger, hoogleraar islam in de westerse wereld aan de Universiteit Leiden, sluit zich daarbij aan. „Het is onzin om te zeggen: christenen kunnen de eed afleggen en de belofte is voor niet-gelovigen en niet-christenen. Dan schiet je als overheid echt je doel voorbij en is de eed in feite overbodig.”

Alhoewel Berger geen probleem voorziet voor moslims – „Allah betekent God, dus als moslim kun je gewoon de eed afleggen op God” – wil ook hij dat de overheid kiest: of de eed afschaffen en iedereen de belofte laten doen, of één ruime eedformulering aanbieden waar alle religieuzen zich in kunnen vinden.

Staatsrechtgeleerde Tijn Kortmann vindt dat er meerdere religieuze varianten moeten kunnen bestaan. Maar als het te complex wordt, moet de eed worden afgeschaft. „Je kunt geen doos met twintig eden voor iemands neus zetten en hem laten kiezen”, zegt hij. Rechtsfilosoof Kinneging noemt een andere mogelijkheid: „Laten we het geloof uit de publieke sfeer verbannen en voortaan de eed afleggen op de Grondwet.”

Minister Ter Horst (Binnenlandse Zaken, PvdA) moet nog beslissen over de uitvoering van de motie. Onlangs zei zij in een overleg met de Kamer „het belangrijker te vinden dat provincies en gemeenten hun ambtenaren een ambtseed laten afleggen dan de precieze formulering”.