Zegeningen tellen

De middag eindigde met twee doodstijdingen. De eerste betrof een Duitse voetbalkeeper die zich voor de trein had gegooid, de tweede ging over Marijke, een vriendin van mijn vrouw. De tegenstelling tussen deze twee sterfgevallen had niet groter kunnen zijn.

Robert Enke had kennelijk al jaren genoeg van het leven, hij werd in het geheim behandeld voor zijn depressies. In de voetbalwereld mochten ze er niets van weten. Ze houden daar niet van depressies, in gezonde lichamen horen gezonde geesten.

Bij Marijke, 59 jaar oud, lag het heel anders. Het leek wel alsof zij niet genoeg kon krijgen van het leven. Ze kreeg tien jaar geleden voor het eerst kanker, maar ze genas. Enkele jaren geleden dook er in haar lichaam opnieuw kanker op, nu ongeneeslijk.

Waar Enke het leven losliet, klampte zij zich er steeds meer aan vast. Ik hoorde zoveel roerende verhalen over haar blijmoedige strijdlust dat ik wel eens dacht: zou het Opperwezen, indien bestaand, niet voor één keer de hand willen lichten met die zogeheten ongeneeslijkheid?

Maar nee, Hij (Zij?) moest weer eens zo nodig onvermurwbaar zijn. Marijke kon vechten wat ze wilde, het was tevergeefs.

Het laatste halfjaar hield ze een weblog bij. Wat mij daarin vooral frappeerde, was dat ze in vrijwel elk bericht wel ergens het woord ‘energie’ gebruikte. Daar draaide op den duur haar hele bedreigde leven om: was er nog een bron te vinden waar ze energie uit kon putten? Ze beoordeelde er zelfs mensen op.

„Gisteren op verjaardagsvisite geweest bij een goede vriendin”, schrijft ze in februari, „krijg een bom energie van haar, dat kan ik niet van iedereen zeggen.” En nog diezelfde maand: „Hij (de arts) keek niet blij en mijn uitgelaten stemming was helemaal weg. Shit.”

Ze houdt de beschrijvingen van haar medische situatie kort en zakelijk, ze wordt nooit sentimenteel of klagerig. Je merkt hoe dolgraag ze nog volledig aan het leven zou willen deelnemen, samen met haar vriend en haar twee kinderen, en hoe zwaar het haar valt te erkennen dat dit niet meer goed lukt.

Ze gaat naar de carnavalsoptocht kijken en schrijft: „Als ik terugdenk hoe ik vroeger carnaval vierde (…); heel dubbel gevoel, wat krampachtig proberen om nog te genieten (…). Het valt niet altijd mee positief en energiek te zijn, het lukt gewoon soms niet.”

Ze moet (en wil!) tal van chemokuren ondergaan en merkt de paradoxale gevolgen ervan: de dood misschien uitgesteld, maar ten koste van de levenskracht. „Want de tweede kuur hakt er toch weer feller in dan de eerste”, schrijft ze in april. „Was vrijdagavond al helemaal ‘lam’ en mijn energie zakt tot dieptepunt.”

Ze blijft zichzelf oppeppen en gaat zelfs nog op vakantie. „Want daar gaat het allemaal om”, schrijft ze in juli, „je zegeningen tellen (…); wat kan ik nog allemaal wél en niet wat kan ik allemaal niet meer. En de dagen per dag nemen (…) en genieten van alle kleine dingen, vooral ook van alle lieve aandacht.”

In september wordt de situatie hopeloos, er volgt uitstel van nieuwe chemokuren. Toch ziet ze ook daar nog het voordeel van: „Ik heb nog twee maanden chemovakantie erbij gekregen!!! Hoera, loop door het huis te juichen.”

Robert Enke had Marijkes geest moeten hebben, en zij zijn lichaam.