Waarom Japanners ouder worden

Japanners worden gemiddeld vier jaar ouder dan Nederlanders. Demografen schrijven dit toe aan de Japanse gewoonte dat de familie zorgt voor opa en oma.

Hoewel Nederlanders best oud worden, scoorden ze de afgelopen decennia toch matig op het punt van levensverwachting. In de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw ging Nederland internationaal aan kop. Sindsdien is Nederland afgezakt naar de dertigste plaats, net onder Griekenland en Malta. Nederlandse mannen worden nu gemiddeld ruim 78, vrouwen ruim 82. Zweden, Fransen, Japanners en Australiërs leven 1 tot 3 jaar langer dan Nederlanders.

Het ging mis aan het begin van de jaren 80. De levensverwachting van Nederlandse 80-plussers steeg niet meer en begon zelfs te dalen. Hetzelfde gebeurde met Amerikanen, Denen en Noorse mannen, en in Engeland en Frankrijk, zo bleek in 2005 uit het proefschrift van demograaf en epidemioloog Fanny Janssen. Japanse vrouwen breken nu records: ze worden gemiddeld 86. Hoe kan dat?

Gisteren en eergisteren bogen demografen, epidemiologen en gerontologen uit Nederland, de VS, Frankrijk en Japan zich over de raadselachtige verschillen tussen landen op een bijeenkomst van de Leyden Academy on Vitality and Aging, een vorig jaar opgericht medisch kenniscentrum. Inzet was een rapport van het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI) en de Leyden Academy.

Volgens dit rapport is een cruciaal verschil tussen Nederland en Japan de manier waarop beide landen met hun ouderen omgaan. In Nederland wonen relatief hoge percentages 65-plussers alleen (van de vrouwen zelfs 47 procent) of in verpleeg- en verzorgingshuizen (9 procent van de mannen en vrouwen samen). Japanse ouderen zijn nog veel vaker omringd door hun familie. En dat terwijl Japanners in de jaren vijftig nog een levensverwachting hadden van 62.

„Het is van alle tijden dat bejaarden op enige manier worden verzorgd door de clan”, zegt Luc Bonneux, een arts-epidemioloog van Vlaamse origine en onderzoeker van het NIDI. „De risicofactoren voor sterfte draaien om boven de 65 jaar. Het gaat dan niet meer om het sterfterisico maar om kansen op doorleven. Vanaf 75 heb je daar zorg voor nodig en goesting, zin in het bestaan. Die wordt gevoed door de mensen om je heen en respect.” Niet dat Nederland slecht voor zijn ouderen zorgt, zegt hij, „maar Japan leert dat het beter kan”.

De vraag is hoe. Internist Rudi Westendorp, directeur van de Leyden Academy, werkte vier jaar op de intensive care van een ziekenhuis. Hij weet hoeveel geld en inspanning het kost mensen 24 uur per dag te verzorgen. „Een leefweek duurt 168 uur. Daar passen vier werkweken in. Als je iemand in een verpleeghuis opneemt, laad je dus vier werkweken op je, per week. Als je dat beseft, kun je je voorstellen dat verpleeghuizen karige zorg leveren.”

Westendorp vindt niet dat Nederlandse ouderen te lichtvaardig in verpleeghuizen worden geplaatst, benadrukt hij. „Ik moet als dokter soms hemel en aarde bewegen om iemand opgenomen te krijgen.” Hij pleit evenmin voor meer geld voor de instellingen. „Als je er veel meer geld in stopt, kom je van een koude kermis thuis. We hebben al veel bedden, maar het helpt niet.” Hij denkt simpelweg dat de zorg in instellingen die van familie en vrienden nooit kan vervangen. „Ik vrees dat het een verantwoordelijkheid is die je moeilijk kunt institutionaliseren, anders dan bijvoorbeeld school voor kinderen.”

Maar wat dan? Moeten ouderen nog langer thuis blijven wonen, ten koste van mantelzorgers die nu al vaak overbelast zijn? „Ik denk dat daar alle argumenten voor zijn”, zegt Westendorp. „We moeten opnieuw definiëren hoe we de institutionele zorg inzetten. Wie weet moeten we terug naar de jaren 30, 40, 50 wat betreft het nemen van verantwoordelijkheid voor ouderen. We accepteren van kinderen dat ze 22, 23 jaar afhankelijk zijn van hun ouders en van de maatschappij. Waarom accepteren we dat niet ook van ouderen?”

Johan Mackenbach, hoogleraar maatschappelijke gezondheidszorg aan het Erasmus Medisch Centrum, is niet overtuigd van het verband tussen stagnerende sterftedaling in Nederland en verblijf in instituten. „Daarvoor moet je aannemelijk maken dat de oversterfte zich voordoet onder mensen die in instellingen wonen.” Dat onderzoek is nog niet gedaan.

Mackenbach wijst er verder op dat de levensverwachting van Nederlandse ouderen sinds 2002 weer sterk stijgt. Uit zijn onderzoek blijkt dat een actiever medisch beleid de meest waarschijnlijke oorzaak is. Zo nam het aantal ziekenhuisopnames van ouderen toe, terwijl er geen aanwijzingen zijn dat ze zieker werden. De sterfte na een ziekenhuisopname daalde. Het aantal niet-behandelbeslissingen bij ouderen nam af. Er wordt, zegt Mackenbach, meer moeite gedaan om oude mensen beter te maken met chirurgische en andere interventies.

Dit hangt samen, denkt hij, met een sterke groei van de uitgaven van de gezondheidszorg, ingezet door LPF-minister Bomhoff in het kabinet Balkenende-I. Doordat er meer geld kwam, was er minder noodzaak ouderen allerlei behandelingen te onthouden, zoals gebruikelijk in de jaren daarvoor, toen de zorg sterk gebudgetteerd was.

Luc Bonneux noemt de relatie tussen lagere sterfte en medisch ingrijpen speculatief. De medische zorg is slecht toegerust op oude mensen met hun combinaties van kwalen, zegt hij. „Ik vraag me af hoeveel bejaarden overlijden door het ongecorrigeerd combineren van medicijnen.” Verder betreft de lagere sterfte alle (hoge) leeftijden en alle doodsoorzaken. „Dat maakt het moeilijk de vinger te leggen op specifieke medische interventies. Het gaat vooral om zorgende handen. Ik vrees dat investeren in meer medicijnen helemaal niet het pad is. En waar het ten koste gaat van ‘handen’ is het bijna zeker contraproductief.”