Tijd om opnieuw na te denken over EU-missies

EU-missies werken doorgaans goed, in de praktijk. Maar welk Europees belang dienen ze precies? Welk idee over de plaats van de EU in de wereld zit erachter?

De civiele en militaire operaties van de Europese Unie zijn, hoewel beperkt in aantal en omvang, redelijk succesvol, zeggen twee buitenlandse deskundigen. Maar zij verschillen van mening over het strategische nut ervan.

„Praktisch klopt het meestal wel, maar ik kan er weinig strategie achter ontdekken”, zegt Sven Biscop, werkzaam bij het Belgische Koninklijk Instituut voor Internationale Betrekkingen. „Waarom doen ze het?”

„Neem de militaire actie in Tsjaad”, zegt hij. „Die is goed verlopen, zeker. Maar waarom zat de EU niet ook in Darfur, of in Zimbabwe? Ik denk dat de operaties vaker zijn ingegeven door de wens om te laten zien dat ze het kunnen, en dat er niet zo wordt gekeken naar het effect op de landen zelf.”

Jean-Dominique Giuliani, president van de Robert Schuman stichting in Parijs, is het daar niet mee eens. „Het zijn geen missies voor de bühne. Ik heb gewerkt met Britse en Franse militairen, en dan merk je meteen dat er iets van een Europese mentaliteit zichtbaar wordt in hun optreden. Die twee landen hebben natuurlijk ook meer traditie in het omgaan met andere culturen dan de VS. Vergeleken met Navo-missies en operaties van de Verenigde Naties hebben Europese missies vrijwel altijd een plus. Zo is er bijna altijd meer aandacht voor zaken als gezondheidshulp en wederopbouw in het algemeen.”

De Europese Unie heeft de afgelopen jaren een aantal civiele en militaire missies uitgevoerd (zie kaart). Civiele missies, bijvoorbeeld assistentie van politie, justitie of douane, waren er naast Kosovo in Afghanistan, Irak, Kongo, Bosnië, Georgië, Guinee-Bissau, Moldavië, de Palestijnse gebieden en bij de grens van Gaza met Egypte. De bekendste militaire missies zijn de lopende missie in Bosnië en de marinepatrouilles voor de kust van Somalië.

Biscop ziet vooral meerwaarde in de civiele missies. „De Europese Unie is daarvoor beter ingericht dan de Navo en ook meer geneigd naar de lange termijn te kijken. Maar het struikelblok is de hoeveelheid mensen die je kunt inzetten. Het aantal uitzendbare politie-agenten en rechters is beperkt.’’

De lidstaten hebben beloofd dat ze eind dit jaar komen met een ‘nationale strategie voor civiel crisisbeheer’. Dan moet duidelijk worden hoeveel zij willen bijdragen aan civiele EU-missies.

Volgens Giuliani in Parijs zou het een vergissing zijn als Europa zich zou concentreren op civiele missies en militaire operaties zou overlaten aan Navo en VN. „Dat zou suggereren dat Europese militairen niet zelfstandig kunnen vechten, en dat kunnen ze wel. We kunnen niet volstaan met een civiele verdediging. Nu de VS zich wat afkeren van Europa, moeten we zelf meer bijdragen aan de verdediging ervan. Ik realiseer me dat de publieke opinie niet klaar is voor een gemeenschappelijk Europees defensiebeleid, maar toch ligt daar de toekomst.”

Frankrijk zou daarbij volgens hem een voortrekkersrol kunnen spelen. „Ik denk dat het gaat zoals met de monetaire integratie. Stapje voor stapje. Er is tijd nodig. Wie had tien jaar geleden durven voorspellen dat de Duitse marine zou patrouilleren in de Golf?”

Beiden onderstrepen dat het een uitgelezen moment is om de prioriteiten te herijken. Waarschijnlijk wordt volgende week de naam bekend van de nieuwe Hoge Vertegenwoordiger voor het Buitenlands Beleid. En het Verdrag van Lissabon, dat op 1 december van kracht wordt, voorziet ook in „permanente structurele samenwerking’’ van lidstaten, als een voorbode van Europees defensiebeleid.

„Het is voor het eerst dat een dergelijke mogelijkheid officieel bestaat’’, zegt Biscop. Hij wijst erop dat dit concept nog concreet moet worden ingevuld, en verwacht dat dit zal gebeuren onder het Belgische voorzitterschap, in de tweede helft van volgende jaar.

„Het wordt dan makkelijker om met een kleine groep landen in actie te komen namens de EU”, zegt Giuliani. Zijn collega Biscop vergelijkt het met een partnerbureau: „Je kunt bij ieder probleem kijken wie met wie in zee wilt gaan.’’

Biscop vindt wel dat de Europese Unie eerst een stap terug moet doen en beter moet gaan nadenken over haar eigen positie. „Ik proef nu een soort strategische vermoeidheid. Er is betrekkelijk weinig animo om na te denken over de plaats van Europa in de wereld.”

Hij noemt alvast een paar thema’s. De terreinafbakening tussen Navo en EU als gaat om buitenlandse politiek. In hoeverre de EU wil deelnemen aan het VN-systeem voor veiligheid. Afrika – „landen als Frankrijk, België en Portugal zijn daar veel meer in geïnteresseerd dan bijvoorbeeld Duitsland.”

Maar de grootste vraagtekens liggen volgens Biscop in het oosten. Over de relatie met Rusland wordt in veel Europese hoofdsteden nog verschillend gedacht. „De lidstaten moeten het eens worden over de vraag hoe zij omgaan met Rusland, en gekoppeld daaraan welke rol de Europese Unie wil spelen in de Oost-Europese landen die nu nog geen lid zijn.” Hij pleit er nadrukkelijk voor dat de Europese Unie het voortouw neemt in de gedachtenvorming hierover, en niet achter de Navo aanloopt.