Ruis en ratel als onderdeel van de toon

In de kunst heb je volgens Martijn Padding de plicht om te schrijven wat je zélf wilt.

Zelf vond hij inspiratie in een fietspomp en Ghana.

Een tegoedbon voor een compositie, gekrabbeld op een bierviltje. Dat kreeg harmoniumspeler Dirk Luijmes ooit van componist Martijn Padding in een Poolse kroeg. Ze waren daar tijdens muziekfestival Warschauer Herbst diep in de nacht verzeild geraakt.

Een paar jaar later stond Luijmes voor de deur om zijn bon te verzilveren. Padding, het voorval alweer half vergeten, hield zich aan zijn belofte. Er volgden zelfs meerdere harmoniumstukken, want het instrument bleek hem uitstekend te bevallen. Opvallend, want het harmonium speelt in de eigentijdse gecomponeerde muziek een marginale rol.

Padding streeft in zijn muziek naar „gestileerde gammelheid”, verklaart hij in zijn Amsterdamse appartement. Hij zoekt het tegendeel van de uitgebalanceerde perfectie van sommige collega’s: doelbewuste onbeholpenheid. En wat past daarbij beter dan de neuzelklank van het harmonium, het traporgeltje waarmee ooit in godvruchtige huishoudens de psalmzang werd begeleid?

„Door zijn zachte geluid is die ouderwetse ‘psalmenpomp’ eigenlijk ongeschikt als solo-instrument bij een orkest”, zegt Padding. „Maar door die underdogpositie krijg je ook meteen alle sympathie van de luisteraar.” Bovendien speelt Luijmes met een ongekende virtuositeit, en promoveert het harmonium zo toch tot solo-instrument. „Dankzij hem kon ik alle vooroordelen over het harmonium passeren.”

De burleske, vrolijke toon van het First Harmonium Concerto is uitzonderlijk in het overwegend ernstige wereldje van de eigentijdse muziek. Dat zoiets toch gewaardeerd wordt, bleek onder meer uit het feit dat de compositie tijdens het International Rostrum of Composers werd verkozen tot beste werk van 2008.

Die lichtheid is iets van de laatste jaren, zegt Padding. Maar zelfs toen hij muzikaal nog dichter bij zijn voormalig leermeester Louis Andriessen stond – grondlegger van de hoekige en luide ‘Haagse School’ – liet hij naar eigen zeggen al meer romantiek en lyriek toe in zijn muziek. Een sleutelwerk is de Mahler-verwerking Nicht Eilen Nicht Schleppen (1993). „Daarin zit wel dat Haagse attack-achtige”, zegt Padding, „Maar het is tegelijk ook veel toegeeflijker.”

Volgens Padding schrijven vooral veel jonge componisten wat ze denken dat ‘hoort’, maar zetten ze zelf het liefst Schubert op, of popmuziek. In hun eigen muziek durven ze dat niet te laten doorklinken. Maar juist in de kunst heb je volgens hem de mogelijkheid, zo niet de plicht, om te schrijven wat je zélf wilt. „Wie ben ik?” zegt hij. „Het klinkt misschien naïef, maar dáár gaat het om.”

Zijn eigen muzikale identiteit bestaat voor een groot deel ook uit vroege invloeden, van pianohelden als Chopin en Thelonious Monk tot een dwarse rockgroep als The Who. Vooral Monk was cruciaal, aldus Padding. „Dat was weliswaar een improvisator, maar hij stileerde zijn solo’s steeds meer. Mijn stukken zijn weliswaar altijd streng geconstrueerd, maar het eerste begin is vaak ook geïmproviseerd.”

Monk was daarnaast een voorbeeld op tonaal gebied: hij ondermijnde het traditionele toonsysteem. Padding: „Bij Haydn hoor je als een compositie in C-groot staat 80 procent van de tijd dat C-groot akkoord en 20 procent andere akkoorden. Als je daarmee gaat schuiven, krijg je een heel nieuwe, onberekenbare versie van tonaliteit.”

Padding verruimt de tonaliteit ook met verkleuringen. Een concreet voorbeeld is de fietspomp die in het mandolineconcert Eight metal strings wordt bespeeld door de slagwerker. De componist ontkent het theatrale bijeffect niet, maar benadrukt dat het meer dan een gimmick is: het ‘psssssh’ klinkt steeds bij hetzelfde akkoord, waardoor het structureel onderdeel van de muzikale taal wordt.

Dat hij meer dan ooit zo met kleur bezig is, komt ook door zijn onderdompeling in de Ghanese muziek, zegt Padding. Het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, waar hij compositieles geeft, heeft een uitwisselingsproject met Ghana. Daar vond hij ook de inspiratie voor die fietspomp: „In de Afrikaanse muziek is het ruisconcept heel belangrijk. Op veel instrumenten ratelt er iets mee als onderdeel van de toon.”

Over twee weken vertrekt Padding opnieuw naar Ghana om er les te geven. Hij signaleert er een grote interesse in westerse compositietechnieken. Maar hij moedigt de Ghanese componisten juist aan om hun ‘eigen’ muziek te componeren, voor eigen ensembles – zoals het gezelschap van veertig lieren en fluiten dat hij er eens zag.

„Het is echt een totaal andere muziekcultuur. Veel democratischer, zonder dirigenten en heel erg gebaseerd op samenspel. Het is mooi om daar discussie op gang te zien komen. Dat ze tegen elkaar gaan zeggen: ‘Jij swingt niet!’”

Composities van Padding, Moore en Brouwer door ASKO| Schönberg o.l.v. Etienne Siebens, vanavond Muziekgebouw aan ’t IJ, Amsterdam en op zaterdag tijdens festival November Music in Den Bosch, www.novembermusic.net