Overleven is moeilijk

Melkveehouders krijgen nu 280 miljoen euro extra steun van EU-landbouwministers.

Maar de liberalisering van de sector, die gaat écht door.

Vergaderingen van Europese landbouwministers hebben de laatste tijd standaard plaats achter wegversperringen van prikkeldraad en pantserwagens van de ME. Als de boeren hun woede daar niet kwijt kunnen, sproeien ze miljoenen liters melk over hun eigen land.

Onder druk van deze acties vroeg een coalitie van twintig EU-landen tijdens het laatste ministersoverleg in Luxemburg om 300 miljoen euro extra voor melkveehouders. Ze kregen 280 miljoen – het laatste restje geld op de begroting.

Die grote coalitie onder leiding van grootmachten Frankrijk en Duitsland (en zonder Nederland) wekte de indruk dat er brede politieke steun bestaat voor wijziging van de liberaliseringskoers die de EU al jaren op landbouwgebied vaart. Maar is wérkelijk sprake van een koerswijziging? Willen de ministers opeens toch vasthouden aan het melkquotum dat in 2015 verdwijnt?

Een terugkeer naar dat melkquotum is wél de eis van de demonstrerende melkboeren, verenigd in de European Milk Board. Deze EMB wil terug naar een gesloten Europese markt, waar vraag en productie op elkaar worden afgestemd en de prijs wordt bepaald in onderling overleg tussen boeren, afnemers en overheid.

Dat zou een ommekeer betekenen in de liberalisering die in de jaren negentig is ingezet. Die liberalisering had twee oorzaken, zegt econoom Kees de Bont van het Landbouw Economisch Instituut. „Andere landen oefenden via de Wereldhandelsorganisatie druk uit op de EU. En binnen Europa waren er bezwaren tegen de kosten van het landbouwbeleid en de overschotten die het creëerde.”

Je kunt landbouw niet meer los zien van de rest van de economie, zegt De Bont. Over het totale pakket – landbouw, industrie en ook diensten – wordt nu in de WTO onderhandeld. „Trek je de bescherming van de landbouw weer op, dan krijg je een probleem met de industrie. Frankrijk en Duitsland kunnen zich dat niet permitteren. Duitsland heeft als exportland de industrie hard nodig.”

De federatie van Europese boerenbonden, Copa-Cogeca, onderkent dat de liberalisering doorgaat en het melkquotum verdwijnt. De steunactie van de Europese ministers was vooral „symbolisch”, zegt secretaris-generaal Pekka Pesonen van Copa-Cogeca. Hij wil dat er een vangnet voor boeren blijft bestaan. Interventie zou daar de vorm voor zijn, zegt Pesonen: dat de overheid producten opkoopt en tijdelijk opslaat als de marktprijs onder een bepaald niveau zakt. De prijs ligt dan nooit onder die vaste interventieprijs.

De EU garandeerde altijd al via interventie een bepaald prijsniveau, maar vroeger was dat gecombineerd met bescherming van de markt aan de buitengrenzen en exportsubsidies om de overschotten buiten de EU te kunnen dumpen. De melkquota zorgden ervoor dat de boeren niet expres te veel gingen produceren.

Al die extra instrumenten verdwijnen. Bovendien is de interventieprijs sinds 2003 verlaagd, zodat het verschil tussen wereldmarkt en Europese markt kleiner is. Die lagere prijs is afgekocht met een jaarlijkse bedrijfstoeslag, die gebaseerd is op historische rechten en niet gekoppeld is aan de melkproductie.

De Nederlandse boer zal in de ‘vrijere’ markt kunnen overleven, denkt Kees Wantenaar, voorzitter van de coöperatie FrieslandCampina. „Er zijn gebieden in de wereld waar de productiekosten lager liggen, maar niet overal”, zegt hij. „Het gaat niet om de pure kostprijs, maar ook om de potentie van een hele regio met infrastructuur, knowhow en innovaties. Daarin lopen we voorop.”

Wel zal er inkomenssteun voor de boeren moeten blijven, zoals de huidige bedrijfstoeslag. Hoe die gerechtvaardigd moet worden? De meest gehoorde gedachte is het vervullen van ‘maatschappelijke wensen’. Als de Nederlander graag op zondag door mooie weilanden fietst, dan zal daar een prijskaartje aan moeten hangen.

Hoe dan ook verdwijnt tussen nu en 2020 nog eens de helft van alle melkveehouders. Overblijvers zullen hun bedrijf zeker verdubbelen in omvang. „Door technologische ontwikkelingen gaat de opschaling door”, zegt Wantenaar. „De afname van het aantal bedrijven met 4 à 5 procent per jaar is een natuurlijk proces.”