Jaren ploeteren voor een stabielere Balkan

De EU wil Kosovo helpen: stabiliteit op de Balkan betekent minder criminaliteit in de lidstaten. Maar Kosovo is ook een last. „We komen er pas van af als het land lid wordt.”

Een Kosovo-Albanees en een Spanjaard komen elkaar tegen in New York. Spanje is het belangrijkste land van de EU dat Kosovo nog niet heeft erkend. „Waar kom jij vandaan?” vraagt de Spanjaard. „Uit Kosovo”, zegt de Albanees. „En jij?” „Spanje.” De Kosovo-Albanees trekt de Spanjaard naar zich toe voor een stevige omhelzing. Die is verbijsterd. De Albanees uit Kosovo zegt: „Jullie hebben Amerika ontdekt. Dat is voor ons genoeg.”

Een topambtenaar van het Kosovaarse ministerie van Binnenlandse Zaken vertelt het in een restaurant in Pristina. Volgens de ruim twee miljoen Albanese inwoners van Kosovo waren het de Amerikanen die hen in 1999 met NAVO-bommen ‘bevrijdden’ van de Serviërs. Bill Clinton, in die tijd president van de VS, kreeg vorige week in de Kosovaarse hoofdstad Pristina een standbeeld. Er is ook al een straat naar hem genoemd.

Maar het geld waar Kosovo, tot begin 2008 nog officieel een provincie van Servië, zijn zelfstandigheid mee opbouwt, komt van de Europese Unie. Er is geen ander land dat zoveel hulp krijgt uit Brussel: zo’n tweehonderd miljoen euro per jaar voor wegen en gebouwen, onderwijs, bestuur, rechtspraak, en voor verzoeningsprojecten met de ongeveer honderdduizend Servische inwoners. De EU heeft vorig jaar ook bijna tweeduizend politie- en justitie-experts naar Kosovo gestuurd voor de grootste EU-missie ooit, EULEX. En er is een speciale EU-vertegenwoordiger voor Kosovo, de Nederlandse diplomaat Pieter Feith, die ook namens de internationale gemeenschap toezicht houdt op de politiek en het bestuur van Kosovo.

Van hem hingen er afgelopen zomer posters in Pristina, met een kruis erdoor. Er werd gedemonstreerd tegen de EU, voertuigen van de EU werden vernield, omdat EULEX een afspraak had gemaakt met Servië over politiesamenwerking. Op muren in de stad staat: Eulex, made in Serbia.

Ondankbaar? Of gaat het zo met landen die bij de EU willen horen en aan strenge eisen moeten voldoen?

De EU-missie is nu bijna een jaar in Kosovo. Komend weekend zijn er gemeenteraadsverkiezingen. Als het lukt om ook Servische burgemeesters en gemeenteraadsleden verkozen te laten worden, zal dat in Brussel worden uitgelegd als een succes. Onder leiding van de EU zou dit het begin kunnen zijn van het vreedzaam samenleven van vroegere vijanden: de Kosovo-Albanezen, die nu de machthebbers zijn, en de Serviërs van Kosovo.

In zijn huis in Pristina noemt Pieter Feith de protesten tegen de EU een ‘randverschijnsel’. Er is een nogal luidruchtige beweging, van de vroegere studentenleider Albin Kurti, die niets moet hebben van buitenlandse inmenging. Maar volgens Feith snappen de meeste Kosovaren heel goed dat ze de EU hard nodig hebben. „Ik merk niets van vijandigheid.”

Feith legt graag uit dat de EU-inspanningen niet alleen zijn bedoeld voor Kosovo, dat zwaar leed onder de gevechten van eind jaren negentig tussen Servische troepen en Kosovo-Albanese strijders, en waar de werkloosheid enorm hoog is (zo’n 40 procent). Dat het rustig en stabiel is in Kosovo, zegt Feith, is belangrijk voor de hele EU. Het gaat niet, zoals in Afghanistan, om de dreiging van internationaal terrorisme. In Kosovo gaat het om corruptie en georganiseerde misdaad. „Die moeten zich”, zegt Feith, „niet verspreiden.”

Stabiliteit op de Balkan – dat is waarom ook de vijf EU-landen die Kosovo niet erkennen (Spanje, Roemenië, Slowakije, Griekenland en Cyprus) de Europese inspanningen in Kosovo steunen. De EU heeft Kosovo officieel ‘Europees perspectief’ beloofd en voor de Kosovaren zelf staat het vast dat ze op een dag lid zullen zijn van de EU.

Maar niemand weet hoe dat kan als EU-landen blijven weigeren om de onafhankelijkheid van Kosovo te erkennen. En er is ook niemand die weet hoe het verder moet als Kosovo, dat arm en klein is, níet bij de EU gaat horen. Zeker is wel dat de EU-ambtenaren, diplomaten en hulpverleners niet meer zomaar uit Kosovo kunnen vertrekken. Het is een last die de EU met zich moet meedragen, zegt een ambtenaar in Brussel. „We komen er pas van af als Kosovo lid wordt van de EU. En dan ook niet echt natuurlijk.”

Voor het parlement in Pristina hangen twee vlaggen: van Kosovo en Europa. Binnen heeft de Kosovaarse president Fatmir Sejdiu zijn werkkamer. Hij zit op een vergulde houten stoel, op een tafel naast hem staat een minerale steen uit een mijn in het noorden van Kosovo. Sejdiu is een vriendelijke, zacht pratende man. Maar wat hij zegt is duidelijk, en soms hard. De pro-westerse regering in Servië gaat volgens hem door met dezelfde politiek als de vroegere Servische leider Slobodan Milosevic: „Maar dan zonder oorlog”. En: „Wij zullen nooit vergeten wat ons is aangedaan, al zullen we geen wraak nemen.”

De EU-missie is in Kosovo op verzoek van de Kosovaarse regering, zegt Sejdiu ook. Maar wat de president betreft zal de internationale bemoeienis „zo kort mogelijk” zijn. Of hij tevreden is over het werk van de Europese ambtenaren? „Ja, al zouden ze meer kunnen doen. Ze kunnen efficiënter zijn in het aanpakken van de parallelle structuren in het noorden van Kosovo (daar hebben Kosovo-Serviërs een eigen ziekenhuis en universiteit, betaald door Servië, red.). De grens daar zou ook moeten functioneren zoals het hoort.”

De EU-missie, die ook zou helpen bij de grensbewaking, heeft douaniers in het noorden. Maar de Kosovo-Serviërs die daar wonen, weigeren om de ‘scheidslijn’ tussen Kosovo en Servië als grens te zien. Ze betalen geen douaneheffing, er wordt veel geld verdiend aan de invoer van brandstof. De Europese ambtenaren houden tot nu toe alleen bij wie erin komt en wie eruit gaat.

De missie is ingewikkeld voor de ambtenaren. Ze zien anti-EU-leuzen op muren, maar van Kosovaren horen ze vooral dat de EU meer voor hen zou moeten doen, en dat het allemaal niet snel genoeg gaat. „Ik hoor minstens een keer per week: ‘Wanneer wordt Kosovo lid van de EU?’” zegt een Duitse ambtenaar. „Of ze zeggen: ‘ Wanneer mogen wij zonder visum door de EU reizen, zoals de Serviërs volgend jaar al mogen?’”

Zo gaat het, zegt EU-gezant Feith, als een land tien jaar internationale aanwezigheid achter de rug heeft. Eerst was er de Organisatie voor Vrede en Veiligheid in Europa, de OVSE, daarna kwamen de ambtenaren van de VN, nu van de EU. „Het is een partnerschap van de EU met Kosovo. Wij hebben als EU te maken met jonge, onervaren leiders die een jonge samenleving vertegenwoordigen waarvan een deel niet goed geïnformeerd is, weinig in het buitenland komt, geïsoleerd leeft.”

De verwachtingen, zegt hij ook, waren hooggespannen. Er wordt nu flink gebouwd, er is toezicht op de rechtspraak, er is een grondwet die deugt, Kosovo wordt gedecentraliseerd om Kosovo-Serviërs een kans te geven op eigen lokaal bestuur. Feith: „Maar we zien bijvoorbeeld de hoge werkloosheidscijfers nog niet naar beneden gaan.”

Bij ‘Doorgang 1’, een grenspost in het noorden van Kosovo, staat afgelopen woensdagmiddag de Italiaanse politiecommandant Giovanni Ferrari. Het regent, vrachtwagens met benzine rijden langs. Ferrari vertelt over de aanslagen die er waren op de grenspost, er zijn soms demonstraties van Kosovo-Serviërs – al kunnen de Europese douaniers nog niet meer doen dan kentekens registreren. „Er is geen wetgeving op grond waarvan we meer kunnen doen. We wachten nog op een beslissing daarover uit Brussel.”