Doet u mij gemarineerde teckel met uitjes

Ons taboe op het eten van honden zegt iets over honden. En heel veel over ons.

Varkens mogen nooit eens lekker voor de haard liggen.

Alhoewel het in vierenveertig Amerikaanse staten volstrekt legaal is, is het eten van onze trouwe viervoeter een even groot taboe als het eten van je beste vriend. Zelfs de meest enthousiaste carnivoren eten geen honden.

Gordon Ramsay, bekend van tv en af en toe als kok, mag dan behoorlijk macho doen over jonge diertjes als hij de pr doet voor iets wat hij wil verkopen, maar je zult nooit een hondenkopje boven de rand van zijn pannen uit zien gluren. En hoewel hij ooit heeft gezegd dat hij zijn kinderen zou elektrocuteren als ze vegetariër werden, vraag ik me af hoe hij zou reageren als ze hun eigen Fikkie zouden fileren.

Honden zijn prachtig, en in veel opzichten uniek. Maar ze zijn buitengewoon gewoontjes als het gaat om hun intellectuele en belevingsvermogens. Varkens zijn volgens elke zinnige definitie van de begrippen net zo intelligent en hebben net zoveel gevoel. Ze kunnen niet achter in een Volvo springen, maar ze kunnen apporteren, rennen en spelen, ondeugend zijn en op genegenheid reageren. Dus waarom mogen zij niet lekker voor de haard gaan liggen? Waarom kan hun niet op zijn minst een einde in de braadpan bespaard blijven?

Ons taboe op het eten van honden zegt iets over honden en heel veel over ons. Fransen, die dol zijn op hun honden, eten soms hun paarden. Spanjaarden, die dol zijn op hun paarden, eten soms hun koeien. Indiërs, die dol zijn op hun koeien, eten soms hun honden.

Hoewel het in een heel andere context is geschreven, zijn de woorden van George Orwell (in Animal Farm) hier van toepassing: ‘Alle dieren zijn gelijk, maar sommige dieren zijn meer gelijk dan andere.’ De beschermingsdrang is geen natuurwet; hij is afkomstig uit de verhalen die we over de natuur vertellen.

Dus wie heeft er gelijk? Wat zijn onze beweegredenen om honden van het menu te weren? De selectieve vleeseter zegt: Eet geen gezelschapsdieren. Maar op plekken waar ze worden gegeten, worden ze niet als gezelschapsdier gehouden. En hoe zit het dan met onze huisdierloze buren? Met welk recht zouden we bezwaar mogen maken als zij hond aten?

Goed. Dan: Eet geen dieren met duidelijk aanwezige verstandelijke vermogens. Als met ‘duidelijk aanwezige verstandelijke vermogens’ die waarover een hond beschikt wordt bedoeld, is dat leuk voor de hond. Maar onder die definitie vallen ook varkens, koeien, kippen en veel soorten zeedieren. En het zou zwaar geestelijk gehandicapte mensen buitensluiten.

Deze dan: Er bestaan goede redenen waarom de eeuwige taboes – speel niet met je poep, zoen niet met je zus en eet geen soortgenoten – taboe zijn. Dankzij de evolutie beschouwen we zulke dingen als slecht. Maar het eten van honden was en is op veel plaatsen geen taboe, en het is in geen enkel opzicht slecht voor ons. Als het vlees goed bereid is, zijn er geen grotere gezondheidsrisico’s aan verbonden dan aan het eten van andere vleessoorten, en een voedzame maaltijd stuit op weinig bezwaren van de fysieke component van onze egoïstische genen.

Het eten van hond kent een trotse geschiedenis. Op muurschilderingen in een graftombe uit de vierde eeuw staan afbeeldingen van honden die samen met andere eetbare dieren worden geslacht. Het gebruik was zo algemeen ingevoerd dat het zelfs terug te vinden is in de taal: het Chinees-Koreaanse karakter voor ‘mooi en schoon’ (yeon) betekent letterlijk ‘want gebraden hondenvlees is heerlijk’. Hippocrates roemde hondenvlees als bron van kracht.

De Romeinen aten ‘zogende hondjes’, de Dakota-indianen waren gek op hondenlever, en nog niet zo lang geleden verorberden de Hawaïanen hondenhersens en hondenbloed. De Mexicaanse naakthond was de voornaamste bron van voedsel van de Azteken. Kapitein Cook at hond. Het is genoegzaam bekend dat Roald Amundsen zijn sledehonden opat. (Oké, hij had écht honger.) En op de Filippijnen worden honden nog steeds gegeten om ongeluk te verjagen; in China en Korea op medicinale gronden; in Nigeria om het libido te verhogen; en op talloze plaatsen op ieder continent omdat ze lekker smaken. De Chinezen hebben eeuwenlang speciale rassen zoals de hond met de blauwe tong, de chow-chow (chow is Bargoens Engels voor schransen) gefokt, en in veel Europese landen bestaan nog steeds registratiewetten voor postmortaal onderzoek van honden die bestemd zijn voor menselijke consumptie.

Dat iets zo’n beetje algemeen en van alle tijden is, is natuurlijk geen excuus om het nu nog te doen. Maar in tegenstelling tot het vlees van alle boerderijdieren, waarvoor het fokken en houden van dieren is vereist, smeken honden er bijna om om te worden opgegeten. In de VS worden jaarlijks drie à vier miljoen honden en katten geëuthanaseerd. Dit betekent dat er jaarlijks miljoenen kilo’s eetbaar vlees worden weggegooid. Alleen al de destructie van deze honden is een reusachtig ecologisch en economisch probleem. Het is idioot om huisdieren uit asielen te gaan jatten. Maar het opeten van al die zwerfhonden, weggelopen honden en net-niet-leuk-genoeg en net-niet-welgemanierd-genoeg zijnde honden zou net zoiets zijn als twee vliegen in één klap slaan.

In zekere zin doen we dat al. Voedselconversie – het omzetten van dierlijke eiwitten die ongeschikt zijn voor menselijke consumptie in vee- en huisdierenvoer – zorgt ervoor dat verwerkingsbedrijven nutteloze, dode honden veranderen in bruikbare schakels in de voedselketen. In Amerika wordt jaarlijks van miljoenen in asiels geëuthanaseerde honden en katten voedsel voor ons voedsel gemaakt. (Er worden ongeveer twee keer zoveel honden en katten tot dierenvoer verwerkt als er worden geadopteerd.) Dus kunnen we die inefficiënte en bizarre tussenstap net zo goed overslaan. Dat hoeft niet in strijd te zijn met ons beschavingsniveau. We zullen ze niet al te erg laten lijden.

Hoewel men in brede kring van mening is dat adrenaline meer smaak geeft aan hondenvlees – vandaar de gebruikte slachtmethodes: ophangen, levend koken, doodslaan – kunnen we afspreken dat als we ze gaan eten, we ze een snelle en pijnloze dood bezorgen. De traditionele Hawaïaanse methode van het dichtknijpen van de hondenneus – om geen bloed te verspillen – moeten we daarom (vanuit maatschappelijk dan wel juridisch oogpunt) van de hand wijzen. Misschien kunnen we honden onder de wettelijke bepalingen over diervriendelijke slachtmethodes laten vallen. Dat zegt niets over hoe ze tijdens hun leven worden behandeld, en er is geen sprake van enig toezicht van betekenis op de naleving, maar we kunnen er vast wel op vertrouwen dat de bedrijfstak tot ‘zelfregulering’ in staat is, dat doen we tenslotte ook bij andere diersoorten die we eten.

Maar weinig mensen beseffen wat er allemaal bij komt kijken om miljarden omnivoren te voeden die een lapje vlees bij hun aardappels willen. Het inefficiënte gebruik van honden – die al in ruime mate aanwezig zijn in gebieden met een grote bevolkingsdichtheid (let op, liefhebbers van streekproducten) – zou elke goede ecoloog doen blozen.

Je zou kunnen beweren dat al die dierenbeschermingsorganisaties die enorme hoeveelheden geld en energie steken in een futiele poging om de hoeveelheid ongewenste honden te verkleinen nog het meest hypocriet bezig zijn, terwijl ze tegelijkertijd het onverantwoorde taboe ‘geen hond eten’ propageren. Als we honden hun gang laten gaan en zich ongehinderd laten voortplanten, zouden we een blijvende, plaatselijke vleesproductie die weinig energie vergt kunnen hebben waar zelfs de meest efficiënte veehouderij bij verbleekt.

Het wordt tijd dat de ecologisch denkenden erkennen dat hondenvlees realistisch voedsel is voor realistische milieubeschermers. Waarom stappen we niet gewoon over onze sentimentele denkwijze heen? Honden zijn in ruime mate aanwezig, gezond voor je, makkelijk te bereiden en lekker, en ze opeten is veel verstandiger dan al dat gedoe van verwerking tot eiwitvlokken in het voer voor andere dieren die we consumeren.

Voor de mensen die nu al overtuigd zijn, volgt hier een traditioneel Filippijns recept.

Ik heb het niet zelf geprobeerd, maar soms zegt het lezen van een recept al genoeg.

Gestoofde hond, bruiloftsmaal

Maak een middelgrote hond dood en brand de vacht af boven een heet vuur. Verwijder zorgvuldig de huid wanneer die nog warm is en houd die apart (kan in andere recepten worden gebruikt). Snijd het vlees in flinke blokjes. Marineer het vlees gedurende twee uur in een mengsel van azijn, peperkorrels, zout en knoflook. Bak het vlees in olie in een grote wok boven een open vuur, voeg uien en stukjes ananas toe en sauteer tot het vlees mals is. Voeg tomatensaus en kokend water toe, groene peper, laurierblad en tabasco. Laat het geheel met een deksel erop op een houtskoolvuurtje sudderen tot het vlees gaar is. Voeg hondenleverpuree toe en laat alles nog eens vijf tot zeven minuten doorsudderen.

Een eenvoudig trucje van de achtertuin-astronoom: als het moeite kost om iets te zien, kijk er dan net naast. De lichtgevoeligste delen van ons oog, waarmee we naar vaag zichtbare objecten kijken, bevinden zich aan de randen van het deel dat we gewoonlijk gebruiken om te focussen.

Er kleeft een onzichtbaar aspect aan het eten van dieren. Bespiegelingen over honden en over de relatie waarin ze staan tot de dieren die we eten, zijn één manier om iets vanuit een andere hoek te bekijken en iets onzichtbaars zichtbaar te maken.

Jonathan Safran Foer is een Amerikaanse schrijver. De bovenstaande tekst is een fragment uit zijn boek Dieren eten, vorige week verschenen bij uitgeverij Ambo.