De smetvrees voor skaters op de trap

De museumbezoeker stoort zich aan de skaters op de trap. Daarom moeten ze weg. Wat de bezoeker niet ziet is de virtuositeit van de skaters, meent Valentijn Byvanck. Door het verbod zullen twee werelden elkaar niet ontmoeten.

The Metropolitan Musum of Art in New York houdt niet van skaters. Zij detoneren met het plechtige imago dat het museum in stand probeert te houden. Het museum noemt zich A living encyclopedia of world art en haalt meer dan vijf miljoen bezoekers per jaar. Het heeft een sjieke ApolloCircle voor jongeren. Maar daarvan zullen skaters niet snel deel uitmaken. Voor sommige mensen vormen skaters onderdeel van een levendige stadscultuur. Maar voor The Metropolitan Museum zijn het lastposten, net als de hotdog vendors, T-shirts en spray paint-schilderijen verkopende handelaren. Allemaal onkruid op de trappen. Welbewust bestrijdt het museum deze groepen niet, want voor je het weet komt er een protestdemonstratie tegen elitisme. Dus kijkt het museum van bovenaan de trap deftig op de jongeren neer.

Maar als de jongeren een paar weken hebben geschaatst, dan blijkt dat het museum toch iets tegen hen kan ondernemen. De opstaande randen van de treden beginnen zwarte slijtplekken te vertonen, want skaters schuren er met de zijkant van het wiel tegenaan, het zogenaamde grinden. Medewerkers van het museum zetten er de hogedrukspuit op en poetsen ze met chemicaliën. Maar het oorspronkelijke natuursteengrijs keert niet terug. Er worden experts bijgehaald. Die schrijven een rapport waarin staat dat skaters slecht zijn voor de trap. Een week na verschijnen van het rapport staan er ’s avonds suppoosten bij de trappen die de skaters wegsturen. Na een paar weken geven de jongeren op.

Ik vind het een mooi voorbeeld van de manier waarop we met de ontmoeting van verschillende culturen omgaan. Ik denk dat de meeste mensen zich kunnen verplaatsen in de houding van The Metropolitan Museum. Zo worden we opgevoed. Niet spelen op de trap! Gebruik je spullen waarvoor ze gemaakt zijn! Afblijven van andermans eigendom! Het zijn allemaal waarschuwingen tegen het onwetmatige gebruik van dingen, de zijkant van het wiel en de opstaande rand van de trap, en de vermenging van ongelijksoortige zaken, zoals schaatsen op de trappen van het museum.

Tegelijkertijd zullen de meeste mensen vinden dat die skaters geen criminelen zijn. Hun handelingen zijn niet werkelijk vervelend, maar de plaats is gewoon wat ongelukkig gekozen. Dus we begrijpen ook de pragmatische oplossing: dingen die niet bij elkaar horen, worden gescheiden. Kunst in het museum, schaatsers in het park.

De scheiding verhoudt zich echter slecht met een ander ideaal in onze samenleving. We willen grenzen slechten. We hebben opgelucht afscheid genomen van de verzuilde samenleving. We doen ons best om nieuwe bevolkingsgroepen in onze samenleving op te nemen. We streven naar sociaal en cultureel pluriforme wijken. We geven moderne bestemmingen aan oude monumenten. We moedigen jonge professionals aan om vooral buiten hun discipline te kijken. Managers wordt geadviseerd om out of the box te denken. En er moet een creatieve klasse komen, die op zoek naar vernieuwing voortdurend grenzen verlegt.

Een recente peiling van het Sociaal en Cultureel Planbureau toont dat Nederlanders zich zorgen maken over de ontwikkeling van normen en waarden en kritisch zijn op het gedrag van hun landgenoten. Mensen weten niet meer hoe het hoort. Ze houden geen deuren meer open, rijden door rood licht, gebruiken voortdurend grove taal, behandelen ouderen zonder respect en slaan erop bij de minste aanleiding.

De oorzaak voor het slechte gedrag wordt vaak gelegd bij een uit de hand gelopen samenleving. De algemene perceptie is dat het zachte jaren zijn geweest, waarin een stapeling van vrijheden en onverschilligheden de samenleving schade heeft gedaan.

De overheid poogt daarop meer grip te krijgen. Er is meer blauw op straat. Er wordt stap voor stap een einde gemaakt aan het gedoogbeleid ten aanzien van kraken en wiet. Er is een canon opgesteld om ons weer bekend te maken met de grote thema’s van onze geschiedenis. En er wordt via allerlei campagnes gewerkt aan onze heropvoeding.

De stichting SIRE heeft onlangs de toon gezet in een campagne getiteld ‘onbewust asociaal’. Die begint met de opmerkelijke openingszin: „We zijn het er vast over eens: Nederland wordt er niet gezelliger op.” De zin vormt een variant op ‘Laten we het vooral gezellig houden met elkaar’, dat volgens mij wordt gebruikt als de gemoederen al zodanig verhit zijn geraakt dat de politie moet worden gebeld. SIRE leert ons dat als je een tas op de plaats naast je in de bus zet, luid telefoneert in het openbaar, of je hond laat poepen voor het huis van de buurman, dat je dan niet gezellig bezig bent.

Het is moeilijk te meten of het in Nederland ooit gezelliger was dan nu. Belangrijker is het om te constateren dat we steeds gevoeliger lijken te worden. We zijn snel geprikkeld over misverstanden, kunnen niet tegen pesten en vinden het moeilijk om met tegenslagen om te gaan. Anders dan vroeger doet schelden pijn.

De toegenomen gevoeligheid en de perceptie van verruwing versterken de behoefte aan harde grenzen. En die behoefte lokt een zero tolerance beleid uit dat in sommige opzichten lijkt op de geprikkelde houding van de burger. De burger pikt het niet langer, en de overheid ook niet. Was voorheen dan alles onduidelijk? Konden mensen elkaar voorheen slechter verstaan? Nee, natuurlijk. De woorden duiden vooral op de bezwering van mogelijke misverstanden.

Onze kwetsbaarheid maakt ook dat we steeds harder oordelen over kleine vergrijpen. We geloven zelden dat iets onschadelijk of onschuldig is. Het is kenmerkend voor dit soort ongeloof dat er geen moderne woorden zijn voor kwajongens die kattenkwaad uithalen. In plaats van kwajongens, schelmen en schoffies, zijn er nu crimineeltjes, jonge overtreders en jeugdige delinquenten. Ik denk dat we nog wel een notie hebben van het verschil tussen een kwajongen en een crimineel. Maar ons vocabulaire kent alleen nog maar criminelen. Kattenkwaad bestaat niet meer en ondeugend zijn heeft alleen nog maar met seks te maken. Wat zou Pietje Bell tegenwoordig zijn: een jonge overtreder?

De enige plek waar grensverleggend gedrag nog een zekere mate van onschuld draagt is de kunst. Van kunstenaars wordt verwacht dat ze grenzen overschrijden. De dichter Gerrit Komrij typeerde zichzelf ooit als een kameleon die altijd in de verkeerde kleur schiet. Hij bediende daarmee een nog altijd levend discours, waarin de kunstenaar origineel en afwijkend dient te zijn.

Ondanks de wat vermoeide traditie verwachten we nog steeds van kunstenaars dat ze ons ontregelen. De burgerij kan nog altijd geschokt worden, meestal door de ongewenste vermenging van dingen, vooral seksualiteit, geweld en godsdienst. In dit licht is de enfant terrible onder de kunstenaars Damien Hirst zo opmerkelijk. Met de handige marktpositionering van zijn werken en sterstatus bespot hij misschien nog beter de kunstwereld dan het publiek.

Al eeuwenlang vormen steden het doelwit van ingrijpende overheidscampagnes tegen chaos en verwildering. Vaak dienden die campagnes groei te bevorderen en de stad overzichtelijk te maken. Baron Haussmann legde in de 19e eeuw een reeks parken en bijna alle grote boulevards aan in Parijs onder meer om licht en ruimte te scheppen en volksopstanden tegen Napoleon III gemakkelijker te kunnen bestrijden. Robert Moses bouwde in de 20e eeuw bruggen en snelwegen om New York geschikt te maken voor een toekomstige middenklasse die er zou werken en boodschappen doen, maar die in zijn visie in wijken buiten de stad zou komen te wonen.

Met het wegvallen van oude functies, ambachten en zelfs diensten, worden binnensteden nu meer dan ooit ingericht voor een representatief doel: toeristische consumptie. Niet zelden tot monument verklaarde bedrijfsgebouwen krijgen culturele functies, grachten worden geschikt gemaakt voor de pleziervaart, wijken worden gescout voor thematours en overal zijn cafés en terrassen van waar men kan kijken naar flanerende voorbijgangers. De stad is daarmee van gebruiksstad tot kijkstad geworden, waarin veel mensen zich dagelijks bezighouden met gidsen, tours en tijdsbestedingen voor bezoekers, zoals dat in VVV-jargon heet. In de ideale stad staat niet werken maar genieten centraal.

Ook buiten de stad is het leven een plaatje geworden. De etnoloog Gerard Rooijakkers wees ons op de verdwijning van het oude Nederlandse platteland en de opkomst van een soort bourgeois pastorale van buitenplaatsen, braderieën en woonboerderettes. We horen het steeds vaker: Nederland is een groot openluchtmuseum geworden en we lijken boven alles gezelligheid te willen uitstralen.

Nederlanders raken er steeds meer van doordrongen dat hun wereld verhardt. Ze schrikken voor wangedrag en intolerantie, afnemend normbesef en vreemdelingenhaat. De burger uit zijn ongenoegen over deze verharding in websites vol ergernissen, de overheid bestrijdt haar met het stellen van harde grenzen en campagnes voor normen en waarden. Intussen ontwerpen we steeds meer ‘representatieve’ werelden: zachte decors voor een harde werkelijkheid, knusse binnensteden en goede woonkamers, waarin een zo groot mogelijke ordelijkheid samengaat met zo min mogelijk vermenging. In die vlekkeloze orde worden vreemde elementen verbannen: skaters moeten naar het park, kunstenaars in broedplaatsen en kwajongens in de gevangenis.

Het lijkt wel alsof, terwijl we de kwajongens in het vocabulaire verliezen, we de brave literaire werkelijkheid waarin ze opgroeiden, steeds opnieuw trachten te verwezenlijken. Die werkelijkheid wordt schoner dan ooit en gaat zo lijken op de virtuele landschappen waar we ons zo graag in begeven.

Onze perceptie van de harde werkelijkheid en ons streven naar zachte decors zijn even rechtlijnig. Het zijn keurslijven voor ons denken. Maar waarvoor hebben we die nodig? Doen ze ons geloven dat er niets aan de hand is? Misschien. Maar belangrijker is het om vast te stellen dat deze fysieke omgeving onze idealen frustreert. Onze zoektocht naar innovatie, creativiteit en inspiratie strandt op een gemanicuurde omgeving die deze waarden begrenst. Skaters op de trap stuiten onverbiddelijk op verbodsborden.

Valentijn Byvanck is directeur van het Nationaal Historisch Museum en voormalig directeur van het Zeeuws Museum.

De integrale tekst van deze lezing staat op nrc.nl/opinie