De risico's van de democratie

Op de beschuldigingen dat hij extreem-rechts, een gevaar voor de rechtsstaat, een racist, ja een fascist zou zijn, antwoordt Geert Wilders: „Ik ben een democraat in hart en nieren.” Nu, dat kan ik niet van mezelf zeggen. Democratie is voor mij een zaak van verstand, niet van enig lichaamsdeel. Een van de zwakke punten van de democratie is, in mijn ogen, juist dat zij types als Wilders produceert.

Onder bepaalde omstandigheden blijken veel mensen minder waarde aan de democratie te hechten dan aan andere behoeften – veiligheid, sociale status of soms vrede – en maken zij van de democratie gebruik om deze doelen te bereiken. Als er genoeg van zulke mensen zijn, dan kan de democratie zichzelf om zeep helpen, althans onwerkbaar maken.

Deze toestand ontsnapt aan de tweedeling links-rechts. Rechts is niet per definitie antisociaal. Bismarck was de eerste die sociale wetten introduceerde, en onder Hitler bleef de verzorgingsstaat tot het bittere einde bestaan (zij het grotendeels op kosten van de door Duitsland bezette landen). Wilders is tegen de verhoging van de AOW-leeftijd en wordt door andere tegenstanders dankbaar als bondgenoot aanvaard.

Hier begint de schijnheiligheid al die in veel protesten tegen Wilders doorklinkt. Hij heeft een punt wanneer hij smaalt op de linkse – ik zou zeggen: linksige – elite. Zij heeft ook boter op haar hoofd. Nu is zij verontwaardigd over de extreme taal die Wilders uitslaat, maar wanneer een geestverwant soortgelijke taal bezigt, zwijgt zij of applaudisseert zij zelfs.

Voorbeeld: in de jaren tachtig beschuldigde de columnist Hugo Brandt Corstius (HBC) Renate Rubinstein van „neo-antisemitische schunnigheid” en noemde hij voorstanders van kernraketten „huurmoordenaars” en potentiële genocideplegers. Links zweeg, wat zij ook deed toen hij minister Ruding „de Eichmann van onze tijd” noemde. Maar toen minister Brinkman, uit collegiale loyaliteit, weigerde hem de P.C. Hooftprijs uit te reiken, was het huis te klein: de vrijheid van meningsuiting was in gevaar!

Zeker, anders dan Wilders ambieerde HBC geen politieke macht. Maar hij had al macht. Zo wist hij de wetenschappelijke carrière van de criminoloog Buikhuisen te breken, met argumenten die nu algemeen als ondeugdelijk worden beschouwd. Toen hield ook de wetenschappelijke wereld zich koest. En een van HBC’s potentiële genocideplegers kreeg het rechtskundig advies er geen zaak van te maken, gezien de gezindheid van veel, vooral jongere, rechters. Geen macht?

In Vrij Nederland, maar ook in onze krant, bleef hij als medewerker welkom. De toenmalige paus van de literaire kritiek schreef dat HBC de vrijheid gegund moest worden die vroeger de vorst aan zijn hofnar – maar niet aan anderen – verleende. Een van die slimme opportuniteitsredeneringen, die minder bevoorrechten en intellectueel minder begaafden in machteloze woede doen ontsteken.

Het is de vraag of dezen zich nu erg opwinden over de kwalificaties ‘extreem-rechts’, ‘racist’, ‘fascist’ of ‘bedreiger van de rechtsstaat’ die Wilders toegevoegd worden. Wilders zelf reageert daar fel op, en in een interessante analyse in de Volkskrant schrijft Remco Meijer die felheid toe aan Wilders’ „wens van de PVV een volkspartij te maken die aan de rechterflank van de VVD knaagt, van de vakbondsachterban van de SP snoept en vooral ‘doet wat de PvdA nalaat’”.

Volgens deze analyse is Wilders „het stempel extreem-rechts daarbij uit electoraal oogpunt hoogst onwelkom. (...) Wordt een partij met intimidatie en geweld geassocieerd, dan is het onmogelijk het hoge zeteltal te halen dat de PVV ambieert. De betiteling ‘racist’ is ook zo’n gevoelige.”

Ik zet daar een vraagteken achter. Het is mogelijk dat Wilders zelf zich die kwalificaties aantrekt óf omdat hij ze voor onwaar houdt – en inderdaad schuwt de PVV tot dusver geweld en intimidatie (kenmerken van extreem-rechts) en inderdaad is moslimhaat geen racisme (net zomin als anti-katholicisme dat is) – óf omdat zij hem in de hoek drukken van onfatsoenlijkheid, wat ‘nette’ kiezers zou afschrikken.

Maar heeft Wilders niet al voldoende aanhang of potentiële aanhang bij mensen wie het weinig kan schelen of zij de predicaten ‘extreem-rechts’ enz. opgedrukt krijgen of, als het hun wél kan schelen, daarover in woede jegens hun beschuldigers uitbarsten en daarom juist op Wilders gaan stemmen?

Hier raken we weer het hart van de democratie. Hoevelen zijn, als puntje bij paaltje komt, democraat in hart en nieren? Wilders wel (zegt hij). Ik niet (zoals gezegd), maar kan ik de vrijheid zonder welke ik niet kan leven (althans werken), anderen ontzeggen? Nee, en dat doe ik dan ook niet – ook al ben ik mij bewust van het risico dat anderen gebruikmaken van het stelsel dat mij die vrijheid geeft, voor doelen die ik verwerp.

Gustave Flaubert schreef in 1871, na de opstand van de Parijse Commune, aan George Sand: „Tout le rêve de la démocratie est d’élever le prolétariat au niveau de bêtise du bourgeois. Le rêve est en partie accompli” (Het is de droom van de democratie het proletariaat te verheffen tot het peil van domheid waarop de burgerman staat. Die droom is deels vervuld).

Zoals in elk cynisme ligt ook hier een kern van waarheid in. Aan Churchill wordt de luchthartigere uitspraak toegeschreven: „Democratie is de slechtste regeringsvorm die er is – met uitzondering van alle andere.” Als Wilders een gevaar is – en ik bestrijd dat niet – dan heeft de toestand waarin de democratie zich in Nederland bevindt, daartoe de gelegenheid geschapen.

U kunt de auteur mailen via dezerdagen@nrc.nl of een reactie achterlaten op nrc.nl/heldring