Ambitie

Driss Tafersiti kwam als jonge Marokkaanse gastarbeider naar Nederland. Hij bleef. Wekelijks feuilleton over zijn belevenissen.

Ik werd wakker met een ongelofelijke kater. De dag daarvoor hadden we in de kroeg de verloving van Mustapha gevierd. Het was een zware avond geweest. Mustapha sliep dwars door het rinkelen van zijn wekker heen. Ik moest hem door elkaar schudden om hem wakker te krijgen. Vol chagrijn trokken we onze werkkleding aan. Om niet te laat te komen, vertrokken we met een lege maag. Onze adem rook naar bier en slaap. Het kunstlicht in de haven brandde als peper in onze ogen. Het lawaai van machines en onze wakkere collega’s heide in onze hoofden. We waren niet in staat te werken. Maar we moesten wel, want dit was tenslotte de reden waarom we hier waren.

We daalden af in het ruim van een schip en begonnen direct kratten vol met vis en ijs op pallets te stapelen. We werden opgeslokt in de bedrijvigheid. Ik had het koud en was slaperig, maar ik mocht niet toegeven, want ik wilde niet het defecte radertje zijn dat het mechanisme spaak liet lopen. Mijn baas en collega’s zouden mij dan op mijn kop geven. Dit was het werk waarmee Mustapha zoveel geld wilde verdienen, dat hij er een huis en een Peugeot 304 mee kon kopen. Hij zou nog jaren als scholstapelaar moeten werken voordat hij het geld bij elkaar had. Het idee om nog jaren plastic bakken vol met vis te moeten sjouwen, verergerde mijn kater. Dit was niet de toekomst die ik voor mij zag.

„Jongens”, zei ik tegen Mustapha en Kemal in de kantine. „Ik heb er geen zin meer in.” „Wat niet, abe”, zei Kemal. „In dit werk. Elke dag vijf uur ’s ochtends op en dan uren in een vrieskist werken voor wat guldens.” „Wat wil je dan gaan doen?” vroeg Mustapha. „Weet ik veel. Misschien op een kantoor gaan werken.” „Kantoor?” riepen Mustapha en Kemal in koor. „En ik word advocaat”, hoonde Mustapha. „Abe, jij weet niet wat jij zegt, je hebt een kater”, zei Kemal. Terug in het visruim had Mustapha iedereen over mijn streven verteld. De rest van de dag werd ik met ‘directeur’ aangesproken.

„Haal je geen rare dingen in je hoofd, neef”, zei Mustapha onderweg naar huis. „Wees blij dat je werk hebt. In het dorp hebben ze er alles voor over om in jouw schoenen te staan.” „Is goed”, zei ik kortaf. „Ik zie je vanavond”, en zonder uitleg liep ik weg. Ik had beter moeten weten. Met sommige dingen hoefde ik niet bij Mustapha aan te komen. Ik liep naar het huis van mijn lerares mevrouw Van den Oever. Ik had de hulp en het luisterend oor van een oud en wijs iemand nodig.

„Hoe smaakte de olijfolie van mijn ouders?” Mevrouw van den Oever stond bij het gasfornuis en roerde in een pan.

„Bijzonder”, zei ze. „Maar wel heel lekker, hoor.” Ze zette een kop thee voor me neer en ging aan de keukentafel zitten. „Zo, waar wilde je het nou met mij over hebben?”

„Is het gek dat ik op kantoor wil werken?” „Waarom zou dat gek zijn?” „Op mijn werk hebben ze mij hierom uitgelachen. En volgens mij hebben ze gelijk. Het is ook belachelijk voor iemand zoals ik om op kantoor te willen werken.” „Belachelijk?” zei ze fel. „Dat woord heb ik jou nog nooit geleerd.” „Maar hoe kan ik dan…” „Luister eens”, zei ze. „Nu moet jij één ding goed begrijpen. Iedereen heeft één taak in het leven: je ambities proberen te verwezenlijken.” „Ik ook?” vroeg ik. „Jij al helemaal, Driss.”

Ambitie. Ik kende het woord wel, maar had nog nooit stilgestaan bij de betekenis ervan.

Driss Tafersiti