Woensdag gehaktdag

Vandaag leggen we een gehaktbal op de sofa. Ik heb het natuurlijk niet over zomaar een Febo-gehaktballetje, maar over de grootste klomp vlees ter wereld, een flinke knaap uit New Hampshire, een buitenaards wezen van maar liefst honderdtien kilo afvalvlees.

Gehoorzaam aan de regels van de psychoanalyse en schrijvend op vetvrij papier luister ik naar wat hij te vertellen heeft. Dit betekent dat ik zelf zoveel mogelijk mijn mond houd en de gehaktbal met veelbetekenende stiltes en gekuch aan de tand voel over zijn inner self.

Hakkelend komt hij op gang. Hij heeft zopas een plaats veroverd in het Guinness Book of Records.

Een van de toppunten van onze vrije beschaving is dat zij tolereert dat het Guiness Book of Records mensenlevens terroriseert met pogingen om de heetste chilipeper binnen te spelen zonder dat je oogballen spontaan uitvallen, pogingen om meer dan 30 uur aan een stuk te kussen totdat je lippen pudding zijn en nu ook pogingen om gehaktballen uit proportie te blazen.

’Het is een zware last om dragen, de grootste gehaktbal van de hele wereld zijn’, jammert de enorme bal terwijl hij zijn dikke neus in de hoek van het kussen op de sofa snuit.

Hij weet niet waarom hij bestaat, waarom hij zo groot is gemaakt. Hij ziet de zin er niet van in. ‘Wat is je gevoel voor eigenwaarde als het je levensdoel is om de grootste gehaktbal te maken?’ vraagt hij scherp. ‘Is het niet vreemd dat het je grootste droom is om een monsterlijke gehaktbal te maken?’ Freud gebiedt dat ik moet zwijgen en de gehaktbal verder moet laten razen.

‘Ik ben bang’, jammert de monsterbal, ‘ik vrees dat mijn maker me wil meenemen in zijn graf, zoals de farao een stoet van dienaren liet meebegraven in de graftombe. Die gehaktbakker is gewoon geobsedeerd door mij. Akelig om zo door je verwekker gestalkt en aanbeden te worden. Terwijl ik een monster ben. Ik ben de Frankenstein onder de gehaktballen die wacht tot de bliksem inslaat.’

Vlijtig schrijf ik alles neer en geef ik bemoedigende knikjes. Mijn patiënt houdt zich niet meer in. Hij wordt kwaad. Honderdtien kilo razende vleesmassa in een sofa is geen gezicht.

Hij komt over mijn bureau hangen en kijkt me met zijn vetogen strak aan: ‘Waarom besta ik? Waarom?’

Ik leg hem uit dat hij moet begrijpen dat ik dit niet zomaar voor hem in één sessie kan beantwoorden. Dat psychoanalyse een langzaam proces is van helen door veel te praten. Ik bereken dat het record voor onafgebroken praten tegen een psycholoog nu al op 79 uur staat. Voor beteuterd kijken bestaat nog geen record.

Saskia de Coster