Urk is niet aan de coke

Het drugsgebruik van jongeren in dorpen lijkt steeds meer op dat in de stad.

Maar met de cokesnuivende jongeren op Urk valt het heel erg mee, zegt Dirk Korf.

Dirk Korf komt van Urk. ‘Oh, uit dat dorp waar alle jongeren aan de coke zijn’, reageren mensen vaak als ze dat horen. En dat ze dat beeld hebben, is niet zo gek. De afgelopen jaren zijn er veel berichten verschenen in de regionale en landelijke media over cocaïnegebruik op Urk, en in andere vissersdorpen zoals Spakenburg en Volendam.

In zijn oratie ‘Coke bij de vis. Misdaad en moraal’ gaat Dirk Korf, bijzonder hoogleraar criminologie aan de Universiteit van Amsterdam, op het beeld in. Als jongen uit een vissersdorp heeft hij sterk het gevoel dat er hier een kwestie wordt opgeblazen.

U zegt in uw oratie dat het gaat om morele paniek. Wat is dat?

„Het is de buitenproportionele maatschappelijke reactie op ongeoorloofd gedrag. Vaak gaat morele paniek over gedrag van de jeugd. Het comazuipen van jongeren is een mooi recent voorbeeld. Of uitgaansgeweld. Of hangjongeren. Het lijkt alsof er iets heel nieuws aan de hand is en alsof het rottig gesteld is met de jeugd. Het probleem wordt uitvergroot.”

Hoe ontstaat zo’n breed gedragen beeld dan?

„De media spelen een belangrijke rol. Ze blazen het probleem op. De berichtgeving kenmerkt zich door overdrijving. In het geval van de coke in de vissersdorpen, reageren hulpverleners, jongerenwerkers, de pastoor of dominee. Dat levert weer berichtgeving op. En dat zorgt weer voor onrust onder de bewoners.

„Volendam was het eerste dorp met ‘Moedige Moeders’, een belangengroep van ouders van verslaafde en ex-verslaafde kinderen. In de zomer van 2007 beweerde een van die moeders dat de plaatselijke jeugd elk weekend acht kilo snuift. Dat zou betekenen dat iedereen tussen de 15 en 34 jaar elk weekend een gram cocaïne zou snuiven.”

Nogal veel.

„Volkomen onzin. Maar het kwam wel in de pers. Er bestaan geen betrouwbare cijfers over drugsgebruik in vissersdorpen. Maar als je alle gegevens die er zijn, bijvoorbeeld uit scholierenenquêtes, bij elkaar legt, blijkt dat drugsgebruik in vissersdorpen inderdaad wat is toegenomen en dat er wordt geëxperimenteerd met soft- en harddrugs. Maar het overgrote deel van de jongeren gebruikt geen drugs. De commotie gaat om een detail van het echte probleem.”

Wat is het echte probleem?

„In de jaren zestig lag de haven van Urk vol met kotters, nu liggen er hooguit vijf. Het beroep van visser sterft uit. De klederdracht verdwijnt. En op zondag gaan mensen met de auto naar de kerk, of helemaal niet meer. Tijden veranderen en niet iedereen is er blij mee.

„En er wordt een hoop gedronken in de vissersdorpen. Het hoort bij de maritieme cultuur van de hele week hard werken en dan op zaterdagavond uit je dak gaan. Er wordt nog steeds hard gewerkt en zeer stevig gedronken. Soms wordt de alcohol gecombineerd met drugs, maar het overmatig alcoholgebruik lijkt een groter probleem.

„En dan is er nog ongenoegen over het materialisme van de jeugd. Jongeren in vissersdorpen blijven lang thuis wonen en werken hard. Ze verdienen geld om te kunnen showen met een mobiel, een scooter en wellicht ook met drugs.

„Ik denk dat deze zorgen de oorzaak zijn van de commotie rond drugs. Het is prettig om drugs de schuld te geven. Een dominee op Urk noemde drugs van de duivel.”

Spelen deze problemen prominenter in vissersdorpen dan elders?

„Nee. Ik denk dat jongeren overal op het platteland meer drugs zijn gaan gebruiken de afgelopen jaren. Aanvankelijk kwam het alleen in de grotere steden voor. Jongeren in steden gebruiken nog altijd vaker drugs dan jongeren buiten de stad, maar dat gebruik is stabiel of aan het dalen. De verschillen tussen stad en platteland zijn kleiner geworden.”

Waarom is er dan zoveel aandacht voor drugsgebruik juist in de vissersdorpen?

„Ze leveren van die prachtige, nostalgische plaatjes op. Vooral voor televisie is dat van belang.”

Is het drugsgebruik op het platteland dan echt een probleem?

„In de grote steden zie je bijna geen junk meer op straat. Dat was tien jaar geleden wel anders. Dat komt door optreden van de politie tegen straatdealers en verslaafde veelplegers. Bovendien werd de verslavingszorg uitgebreid met methadon en gebruikersruimten. Mijn indruk is dat zowel de politie als de verslavingszorg de aandacht heeft verlegd van drugsgebruik in de steden naar drugsgebruik op het platteland. Ze boort zogezegd nieuwe markten aan. Ook de verslavingszorg verlegt de grenzen. Af en toe worden daar dealende jongeren aangehouden. Jongeren uit vissersdorpen bijvoorbeeld. Die krijgen dan een taak- of een werkstraf. En dat haalt dan de krant weer natuurlijk.”