Te veel achter 't bureau aan de Bosbaan

Koen van Nol, die als technisch directeur vertrekt bij de roeibond, vindt dat hij geen kans kreeg op een verdiepingsslag. „Het is belangrijk iedereen beter te laten samenwerken.”

Koen van Nol wilde niet als een olifant door de porseleinkast lopen toen hij in januari 2007 werd aangesteld als topsportcoördinator bij de Nederlandse roeibond (KNRB). De oud-judoka kon in voorbereiding op de Olympische Spelen van vorig jaar slechts „bullshit” uit handen nemen van de bondscoaches. Na ‘Peking’ kreeg hij als technisch directeur de vrije hand en stelde hij een beleidsplan op dat Nederland in 2012 bij de topvijf van roeilanden moet brengen. De eerste resultaten bij de WK van augustus waren hoopgevend. Toch kondigde hij vorige maand zijn vertrek aan bij de KNRB. „Ik ben over mijn houdbaarheidsdatum heen.”

De Haarlemse jurist concludeert dat hij te veel achter zijn bureau aan de Bosbaan heeft gezeten. „Subsidieaanvragen, beleidsstukken en tientallen e-mails per dag zijn ook belangrijk. Maar ik zat te veel achter de computer en te weinig op de fiets. Wie verandering wil, zal elke dag op dat vlot moeten lopen. Zo word je zichtbaar voor roeiers, coaches en begeleiders. Die verdiepingsslag, de echte kwaliteitssprong, heb ik niet kunnen maken, terwijl dat juist de mooiste klus is.”

Van Nol wijst op de rek bij de roeibond in begeleiding, faciliteiten en opbouw van junioren tot senioren. „Veel belangrijker nog is iedereen te inspireren en beter te laten samenwerken zodat we nog meer uit de sport kunnen halen. Nu zijn we met twee medailles per Olympische Spelen een goede sport in Nederland. Maar het is mogelijk een excellente sport te worden als we efficiënter werken.” Hij noemt verzachtende omstandigheden. Zo kreeg de roeibond pas in maart duidelijkheid over subsidies van onder meer sportkoepel NOC*NSF. Van Nol: „Het was lastig voor die tijd bondscoaches aan te stellen, trainingskampen te plannen en trainingsprogramma’s te maken. Dan wordt de penningmeester zenuwachtig, en terecht. Het heeft me geërgerd, maar ik ben blij dat de subsidies nu lopen. Dat maakt het makkelijker voor mijn opvolger.”

Twee bondscoaches besloten eind vorig jaar het beleidsplan voor ‘Londen’ niet af te wachten en vertrokken bij de KNRB. Mark Emke voelde zich niet serieus genomen en noemde Van Nol in een adem met „de bobo’s” met wie hij niet inhoudelijk over de sport kon discussiëren. „Mark wilde na de Olympische Spelen de zware mannen blijven coachen”, zegt Van Nol. „Maar wij hadden met René Mijnders een heel goede andere kandidaat. Een combinatie van hen was onrealistisch en wij wilden vooral een bondscoach die fulltime beschikbaar zou zijn. Mark had een baan naast het roeien en moest een keuze maken. Uiteindelijk was hij teleurgesteld dat hij niet zoveel credits had dat hij die baan meteen kreeg.”

Ook Josy Verdonkschot, in Peking coach van de ‘gouden’ dubbeltwee, accepteerde geen nieuw aanbod. Hij werd coach van de Italiaanse vrouwen, omdat hij het niet eens was met de beleidsstructuur van de KNRB, met een oud-judoka als technisch directeur. Van Nol: „Dat vond ik heel jammer, want hij weet alles van structuur, kwaliteit en planning in trainingsprogramma’s. Toch denk ik dat ook een oud-roeier als technisch directeur tot problemen kan leiden. Zonder absolute autoriteit in de sport wordt het niks. Ik was geen bedreiging voor de coaches. Ze hoefden niet bang te zijn dat ik ze wat wilde leren over roeien.”

In plaats van de twee Nederlandse coaches wist hij wel de Australiër Dave McGowan en de Engelsman John Faulkner aan de roeibond te binden. „Zij zijn ook echte roeitrainers, maar uit andere sportculturen”, zegt Van Nol, die ook topsportcoördinator is bij de Bob en Slee Bond Nederland (BSBN). „Zij zorgen voor nieuwe invloeden in methoden die bij ons al jaren hetzelfde zijn. Ook is John communicatief erg goed. Ik kreeg altijd de meeste klachten van roeiers over het gebrek aan communicatie van coaches.”

Hoewel Van Nol zichzelf bij zijn evaluatie niet heeft gespaard, kijkt hij tevreden terug op de nieuwe impulsen die hij de roeisport gaf. Hij wist tegenstribbelende coaches te overtuigen van het belang van krachttraining en verbeterde het systeem van de talentidentificatie en -ontwikkeling. „Het aanleren van de roeihaal kunnen we hier als geen ander, maar fysieke basis is net zo belangrijk. Dat blijkt nu twee oud-zwemsters [Claudia Belderbos en Chantal Achterberg] in de vrouwenacht zaten die brons won bij de WK.”

Van Nol was ook blij verrast met de opkomst van skiffeur Roel Braas en de tweeling Tycho en Vincent Muda, die niet uit het „onmisbare” studentenroeien voortkomen. Maar: „Uiteindelijk maakt het coaches en roeiers echt niet uit wie over de politieke situatie in Israël praat of over lekkere wijven in Panorama. Ze willen iemand in de boot waarvan ze zeker weten dat hij als eerste over de finish komt.”

Die onconventionele opvatting trof Van Nol in het hele Nederlandse roeien. „Het beeld dat de buitenwereld van roeiers heeft, strookt niet met de werkelijkheid. Ik ken geen andere sporters die zo rücksichtslos trainen. Zonder klagen stappen ze twee keer per dag in die boot. Coaches werken met dezelfde ethiek en fietsen elke dag in weer en wind langs de baan. De loyaliteit naar de sport vind ik mooi om te zien.”